Videokunst & de Kunst van het Projecteren

Vroeger, jawel vroeger is dood maar toch, was het allemaal simpel. Videokunst stond op een videocassette, VHS en heel soms een betacam en het geheel, speler en scherm, stond in een hoek van de museumzaal. De bedachtzame suppoost startte een paar maal per dag de cassette en het in een loop gemonteerde beeld dat nu content heet, begon weer aan één van z’n vele rondjes over de beeldbuis. Toen nog van het CRT-type waardoor een aantal beeldproblemen werden geëlimineerd.

 

Nu, in het digitale domein, ligt het allemaal even anders. Videokunst kan ook mediakunst zijn, een tijdgerelateerd kunstwerk dat verandert en beweegt, dit in tegenstelling tot de klassieke kunstvormen die statisch zijn, stilstaan. De manier van maken is ook drastisch gewijzigd. Was het vroeger een analoge filmcamera, nu staan vele digitale bronnen ten dienste als camera’s, computers en specifieke software. Die ook allemaal verschillende masters produceren die de scheppende kunstenaar vanzelfsprekend zo perfect mogelijk in museale omstandigheden wil reproduceren. “En daar” stelt Oskar van den Belt, post-productietechnicus bij het Nederlands Instituut voor Mediakunst (NIMK), die er dagelijks mee te maken heeft, “beginnen vaak de eerste problemen”. De optimale weergave van een mediakunstwerk wordt bepaald door een veelheid van factoren. De plaats in het museum, de uitlichting en de aankleding van de ruimte plus de gebruikte techniek – players en de lichtopbrengst van de projectoren – spelen een allesbepalende rol.

Thomas Bouvy, die samen met partner Maaike Engels het audiovisueel collectief Urbi et Orbi runt en dit jaar verantwoordelijk was voor de achtergrondprojectie van VPRO´s Zomergasten, kan smakelijk vertellen over de vele discussies die vooraf moesten worden gevoerd met de ontwerpers van het studio-interieur, waarin een veelheid aan noodzakelijke doorzichtschermen diende te worden opgenomen. Ook hij, evenals Oskar van den Belt, ziet regelmatig een chaotische golf aan formaten en dragers op zich afkomen die veelal wel geschikt, maar niet geoptimaliseerd zijn voor het gestelde doel: een zo perfect mogelijke projectie. Principieel gaat alles terug naar een digitale file, maar de wijze waarop is allesbepalend.  Bouvy geeft dan ook iedere videokunstenaar de raad om bij de start van een museaal project zo vroeg mogelijk contact te maken met een deskundige ‘kunstproducent’ voor nieuwe media en beveelt zichzelf hierbij van harte aan. Hij is de zelfbenoemde ‘nerd’ van Urbi et Orbi – partner Maaike Engels bemoeit zich voornamelijk inhoudelijk met de projecten – en ook als consulent voortdurend op zoek naar technische uitdagingen en de grenzen van de wetten der natuur.

 

 

Het Nederlands Instituut voor Mediakunst, het NIMK, hoewel zwaar getroffen door de bezuinigingen op de kunsten, verzorgt facilitaire dienstverlening tegen kostprijs voor kunstenaars en kunstinstellingen. Het NIMK heeft meer dan 30 jaar ervaring met het presenteren en ontwikkelen van technische gerelateerde kunst. Instellingen en kunstenaars kunnen er terecht met alle vragen die met productie, presentatie en ontwikkeling te maken hebben. De nadruk ligt op technologische vragen, zoals nieuwe manieren om hard- en software voor de kunstproducties in te zetten, waarvoor vele oplossingen denkbaar zijn. Hier is Oskar van den Belt de ‘ kunstproducent’ die het mediaproject verder technisch onder zijn hoede neemt. Gezien de lichte chaos in normen en standaarden stelde hij al een jaar geleden een protocol op dat de kunstenaar/maker  inzicht moet bieden in wat bij aanlevering van content wel en niet verstandig is. Grondregel is geen of minimale compressie, opnemen op HD op 25 fps (of 29,97 fps voor de USA) en vooral niet draaien op ‘ interlaced’.  Compressiesystemen als H.264 en mp4 dienen vermeden te worden. AVI, Quicktime uncompressed en quicktime animation zijn toepasbaar, evenals de formats targa, tiff en png. Quicktime ProRes 422HQ is gangbaar. Voor vrijwel elke uiteindelijke museale toepassing is een ‘best format’ te bedenken waarvoor, vermoedelijk, de gemaakte master weer moet worden geconverteerd, dit nu met scaling en compressie. De kwaliteit van de projectie zal in het algemeen niet uitstijgen boven het full HD formaat, 2K ligt in het (verre) verschiet maar is voorlopig voor deze sector nog te duur.

Het NIMK heeft ook een software ontwikkelpoot, het Artlab, waar open source software voor presentatiedoeleinden wordt ontwikkeld. Zo is er de Syncstarter, waardoor meerdere beeldbronnen (computers) op meerdere schermen synchroon kunnen worden weergegeven en Audio/Video remote control software beschikbaar. Het gehele postproductieproces is een softwarematige. Behalve een goede computer voor het eventueel renderen, is geen extra hardware noodzakelijk. Wel voor de uiteindelijke afspeelapparatuur, de player en de projector/beamer. De keuzes hiervoor worden uiteraard bepaald door het ter beschikking staande budget. Als player kan een blu ray speler volstaan of een willekeurige mediaspeler van een bedrijf om de hoek.

Ook de MiniMac is populair in deze sector. Jelle Oppers, directeur van Beam Systems in Amsterdam,  gaat voor vrijwel alle opdrachten en instellingen (oa EYE en het Stedelijk ) uit van al bestaande content, in welke vorm dan ook, die wordt omgezet naar een digitale master. Vervolgens worden de players gezocht die passen bij de locatie en de digitale content (Beam Systems gaat van bescheiden naar zeer groot, een blik op hun YouTube-kanaal is de moeite waard). Oppers maakt voor museale projecten veel gebruik van het door

 

 

Adtec ontwikkelde Edje, een HD-player die werkelijk alle formaten kan weergeven, een intern synchronisatiesysteem heeft (op meerdere schermen hetzelfde beeld projecteren), via internet of RS232 op afstand bestuurbaar is en betrouwbaar 24/7 kan werken.

En zo komen we aan het einde van ons rondje langs de deskundigen. De videokunstenaar van nu, die mogelijk vroeger gebruik maakte van analoge film, moet zich verdiepen in een veelheid van onderwerpen veelal gelegen in het digitale domein. In goede samenwerking met de conservator van het betreffende museum moet een projectplan ontwikkeld worden, allereerst gebaseerd op het beschikbare budget en de voorhanden zijnde techniek. Lichtopbrengst in lumen en het gekozen file formaat gaan een rol spelen, evenals het beeldkader. Vrijwel alle systemen werken nu op een 16:9 standaard, terwijl veel oudere videokunstwerken op 4:3 zijn geproduceerd. ‘Conversie of aanpassing is dan de vraag en die vraag’, zegt Jelle Oppers, dient door de juiste personen te worden beantwoord’. Anderzijds leidt de enorme capaciteit van computersystemen en software tot een democratisering van het medium, ongekend in het analoge verleden.

En dan misschien de (technische) kers op de taart: Atelier HSL heeft rondom de aanleg van de HSL Amsterdam – Parijs een aantal cultuur – en kunstprogramma’s gerealiseerd.

 

Jan de Bont maakte voor dit project‘Surfing on  Light’– vier Panasonic 3D-camera’s voor vier videoschermen. Te zien van 6 tot 23 oktober in LP2, Rotterdam.
http://www.atelierhsl.nl/locations/rotterdam/

foto Ewald Rettich/vonFilmenstein

 

Author: DDG

Share This Post On

Commentaar, vraag, of antwoord? Draag bij!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.