De braafheid van de Nederlandse documentaire

Suzanne Van Voorst als nieuwe consulent van het Filmfonds

Suzanne v Voorst FilmfondsSuzanne van Voorst is sinds 1 februari consulent documentaire bij het Filmfonds. In die functie geeft ze inhoudelijk advies over documentaire aanvragen. Na haar studie Engels rolde ze via het assisteren bij filmpjes op de Filmacademie en een ‘totale onzinfilm’ van Don Siegel in het produceren. Het Amsterdams Stadsjournaal is haar alternatieve Filmacademie geweest. Meedraaien op de set, gelijkleggen en productionele hand-en- spandiensten doen. Het Stadsjournaal was een filmcollectief dat sinds begin jaren 70 zowel documentaires als korte speelfilms maakte met een maatschappelijke invalshoek. Met terugwerkende kracht bleek het Stadsjournaal een staalkaart van de Nederlandse film toentertijd te zijn: Theo van der Sande, Edgar Burcksen, Ton de Graaff, Erik Langhout, Menno Euwe en vele anderen waren lid. René Scholten was uitvoerend producent, omdat veel mensen geen zin hadden zelf productie te doen. Ze werd al snel Scholtens assistent.

Toen Scholten voor zichzelf begon (nu SNG-produkties), nam Van Voorst zijn taak over. In de jaren 80 was de collectieve gedachte wel zo’n beetje voorbij en ging het Stadsjournaal door als Yuca-Film. Daar werd ze zelfstandig producent. Er kwamen nieuwe regisseurs bij, zoals Peter Delpeut en Heddy Honigmann. “Naast de maatschappelijke kant, die me altijd heeft geïnteresseerd, ben ik heel bewust de meer filmische kant gaan exploreren. Je wilt niet alleen iets vertellen over de werkelijkheid, maar je wilt dat doen met de inzet van filmische middelen.’’ Begin jaren 90 richtte Van Voorst haar eigen bedrijf op, Ariel Film. Ze produceerde hiermee o.a. speelfilms van Peter Delpeut, Heddy Honigmann en Erik de Kuyper.  “Dat zijn een beetje eigenzinnige filmhuisfilmmakers. Ik ben nooit zo van de mainstream geweest”. Vanaf 1995 volgde een langdurig verblijf in Hong Kong, vervolgens na terugkomst in Nederland een aantal jaren actief beleidswerk (o.a. de Raad voor Cultuur) totdat ze gevraagd werd door IDTV als documentaire producent; ze bleef er 9 jaar.

‘De smaak van Hilversum bepaalt het bioscoopaanbod’ is ondertussen al een oud gezegde in de wandelgangen. De invloed van de omroepen over wat er wel of niet gemaakt wordt aan door het Filmfonds meegefinancierde projecten wordt alleen maar groter, vind je niet?

Ja, omdat de meeste producties ook door de omroep meegefinancierd worden. Waar ik me vooral grote zorgen over maak, is dat het budget van het Mediafonds vanaf 2017 feitelijk binnen de NPO komt te liggen, zodat de omroepen ook in formeel opzicht een veel grotere financier worden. In wezen is de omroep zelf tot nog toe als entiteit maar een kleine financier,  maar met het NPO Fonds binnenshuis wordt hun formele rol veel groter. Natuurlijk is de vrijheid die makers krijgen ook een kwestie van wie daar zit als eindredacteur. Maar één partij die financiert, selecteert en programmeert, is een erg grote speler ten opzichte van de onafhankelijke makers. Zodat de NPO kan zeggen: ‘we willen 100% van de rechten, want we leggen 100% van het geld op tafel’. Dan kom je in een heel andere relatie met de omroep te staan. Niet alle individuele omroepen willen die kant op, maar de NPO wijst wel in die richting. Dat is echt zorgwekkend.

Want waarom bestond het Mediafonds ook alweer?

Om te stimuleren dat de omroepen ook meer bijzondere producties zouden gaan maken. Dus ook artistiek belangwekkende producties.

Blijkbaar was het nodig toentertijd om…..

… de omroepen die stappen te laten zetten. Dat heeft wel duidelijk effect gehad. De bloei van de Nederlandse documentaire is daar ook mede aan te danken, laten we dat niet vergeten.

Je ziet veel documentaires met een journalistiek onderwerp die op het moment van uitbreng met hun onderwerp goed vallen bij het publiek. Dat lijkt belangrijk geworden te zijn de laatste jaren.

Dat is misschien zo bij de documentaires die vooral via de omroepen gefinancierd worden. Bij het Filmfonds is dat zeker niet het geval. Integendeel. Ik vind dat het de taak van het Filmfonds is om films te steunen die filmtaal als expressiemiddel inzetten. Die dus ook nadrukkelijk niet alleen iets te vertellen hebben, maar dat ook doen op een manier die filmisch is. Waar film als kunst, om het kort door de bocht uit te drukken, gemaakt wordt. Dat zijn de projecten waarin ik geïnteresseerd ben. Hoe belangwekkend het onderwerp ook is, als dat niet gebeurt met een interessante inzet van filmische middelen, past dat niet bij de taak van het Fonds. Voor het Fonds gaat het echt over film als kunst. Hoe vertel ik mijn verhaal? Welke filmische middelen wil ik gebruiken, hoe wil ik het gaan draaien, hoe wil ik het verhaal opbouwen, hoe wil ik het monteren, hoe zet ik het geluid in? Alles. Dus één alinea waarin je meldt dat je dicht op de huid wilt observeren, volstaat niet. Dat weten we nu wel, dat iedereen dat wil. Urgentie speelt wel een rol bij de beoordeling. Dat hoeft niet perse maatschappelijke of actuele urgentie te zijn. Als iemand een verhaal vertelt, waarvan wij begrijpen dat het belangrijk is dat deze film gemaakt wordt, mag het letterlijk over alles gaan.

WEB_750px_Vleesverlangen_v7_RGB

Vleesverlangen, regie Marijn Frank, geproduceerd door IDTV Docs

Nederland heeft een enorme traditie in de observerende film. Dat begon in de tijd van Herman van der Horst, Haanstra en noem maar op. Daar zijn we heel goed in. Maar ik vind dat het de laatste tien jaar te vaak tot een soort gemakzucht leidt. ‘Ga maar observeren en dan rolt er wel een documentaire uit.’ Ik zie te veel films waarvan ik denk: ‘maar wat vind je er zelf van of wat moeten wij er nu van denken? En wat wil je nu überhaupt vertellen? Je laat me kijken. Dat kan interessant zijn, maar niet altijd of automatisch.’ Er moet echt nagedacht worden door de makers. Ook gezien de manier waarop de documentaire zich in de rest van de wereld aan het ontwikkelen is. Je ziet op het IDFA steeds meer films die iets doen met animatie of fictie, of waarin verhalen binnenstebuiten of achterstevoren gekeerd worden. Extreme standpunten van waaruit een verhaal verteld wordt. Soms is die klassieke fly on the wall de beste manier om een verhaal te vertellen. Maar heel vaak zijn er andere manieren, die meer opleveren. Het is soms een vermoeide stijl geworden,  zodat je denkt: ‘O God, daar heb je weer zo’n film, waarbij de maker weer geen enkele vraag wil stellen. Zodat ik het bos wordt ingestuurd.’

Het is bijna een keurslijf geworden. Ik denk vaak: ‘bevrijd je er ook eens van. Vind vooral eens wat.’ Peter Delpeut heeft een interessant stukje geschreven in het boekje ter gelegenheid van 20 jaar Het Uur van de Wolf. Over hoe Marc Schmidt en Jos de Putter in een dialoog totaal langs elkaar heen praten, omdat ze elkaars film niet begrepen.. Het zijn allebei goede makers, dus wat gaat daar mis? Het heeft er ook mee te maken dat je met je publiek moet blijven communiceren. Mensen krijgen zo’n lawine van beeld en informatie over zich heen. Je moet mensen soms helpen om te interpreteren, maar je moet ook uitleggen waarom ze naar iets moeten kijken. Schmidt en De Putter hebben elkaars film niet begrepen omdat ze allebei weigeren te duiden in hun films. Dan schiet je je doel voorbij.

De Hollandse School. Terwijl Haanstra ondertussen juist veel duidde. Op het moralistische af of door alleen al Carmiggelt er bij te halen.

Precies. Voor veel makers is het gebruik van een voice-over al een doodzonde. Waarom in godsnaam. Haanstra stuurt zijn film natuurlijk volledig op de voice-over. Dat is een legitieme keuze, want ook een filmisch middel. Dat je dat niet wilt, is ook je goed recht. Maar dat wil niet zeggen dat elke voice-over fout is. Het is maar wat je wilt bereiken en hoe je hem inzet. Een voice-over kan ook een laag toevoegen, zonder dat het een praatje bij een plaatje wordt. Niet elke voice-over is bedoeld om de boel te redden als er iets misgegaan is.

Een van de taboes in film in Nederland

Ja, het is gereformeerd allemaal. Dingen, die wel of niet mogen. Ik pleit voor minder keurslijf. Durf vrij te zijn in je keuzes. Als het even kan, wil ik daar de komende jaren een rol in spelen.

Is de Nederlandse documentaire braaf geworden?

Aan de ene kant hebben we een enorme rijkdom met de documentairecultuur in Nederland. Er worden er heel veel gemaakt. En er worden elk jaar een aantal heel interessante films gemaakt. In die zin hebben we niets te klagen. Maar misschien wel juist omdat we er zoveel maken, vind ik het zorgelijk dat we zeker de laatste 10 jaar te veel films maken die op elkaar lijken. Niet slecht, maar braaf en schools. Ze doen precies wat ze moeten doen. Neem een maatschappelijk onderwerp; zet er een camera op, vindt een leuke hoofdpersoon die iets doet en er over vertelt. En zo zijn we weer een documentaire verder. Het feit dat het een formule lijkt te zijn geworden, is niet goed. Minder braafheid en meer frisheid.

Du moment dat je naar het Filmfonds wilt met een aanvraag moet je over dit soort dingen echt stevig nadenken. Dan kom je niet weg met een standaardplan. Ook omdat wij alleen lange documentaires steunen, worden er hoge eisen gesteld aan de manier waarop het verhaal wordt verteld, wordt gekeken of een film anderhalf uur interessant en spannend blijft. Ik ben echt op zoek naar dingen die iets extra’s hebben. Iets, waarvan ik rechtop ga zitten en denk: ‘hé, dat wil ik zien’.

Nog één detail: Ik ben voorstander van een langere montageperiode. Er wordt in Nederland vaak te kort gemonteerd. Dan maak je zo’n dure film, zo’n groot en vaak langlopend project, met zoveel ambitie. En dan denk je dat je die lange documentaire in 8 of 10 weken in elkaar kunt zetten. Dat moet je niet willen. Als regisseurs daarover een discussie met hun producent hebben, sta ik geheel aan hun kant. Het heeft ook met het karakter van de documentaire te maken. In de montagekamer moet je de film opnieuw uitvinden. Dat heeft gewoon tijd nodig, ook tijd om na te denken en afstand te nemen.

Stand by your President A4

Stand by your President, regie Ineke Smits, geproduceerd door IDTV Docs

 

Het heeft ook te maken met de invloed van de digitalisering. Voor ik bij IDTV Docs ging werken, was ik 10 jaar uit het vak geweest. Bij terugkomst was ik verrast: de montageperiode was gehalveerd. Het was nu gebruikelijk een documentaire van 50 minuten in 6 weken in elkaar te zetten. Dat was de standaardlengte. Vroeger toen we nog films op 16 mm. maakten, was dat totaal ondenkbaar. Natuurlijk gaat digitaal monteren sneller, maar je komt tekort in denktijd. Als je meer ambitie hebt dan de gemiddelde documentaire, dan moet daar ook budgettaire ruimte voor zijn. Dat kan in draaidagen zitten, maar ook in de postproductie.

De tendens schijnt te gaan worden dat er meer geld komt voor minder producties.

Bij de bezuinigingen op de omroepen is de documentaire enorm ontzien. Het beschikbare geld is wel iets omlaag gegaan maar het aantal met Nederlandse films in te vullen slots is niet spectaculair gedaald. Maar wat je kunt verwachten is dat de kijkersaantallen bij de reguliere omroepen alleen maar omlaag gaan. Want de nieuwe generaties kijken geen televisie meer. En als ze al kijken, kijken ze op een andere manier. Dat gaat op termijn onherroepelijk gevoeld worden in de budgetten. Je moet je dan gaan afvragen: ‘hoe gaan we daar mee om’? Als je zegt: ‘we kunnen een goede film maken, maar niet voor drie kwart van het budget’, dan moeten we kiezen om er minder te gaan maken.

De dagprijzen van de regisseur zijn al heel lang geleden door jullie gesteld op 400 euro per dag. Bij een draaidag van 10 uur, is dat 40 euro per uur. De kapper van mijn moeder in Zaltbommel vraagt meer.

Bij mijn weten is het vaste dagbedrag al lang verdwenen, maar van documentaire maken word je niet rijk.

Maar armlastig is het andere uiterste. En niet elke dag in het leven van een regisseur is een draaidag, om het maar eens eufemistisch te formuleren.

Het probleem is dat het beschikbare geld ook niet omhoog is gegaan; alleen maar achteruit. Het Filmfonds heeft een bezuiniging van meer dan 20% voor zijn kiezen gehad en er taken bij gekregen; het is links- of rechtsom. Dus kaats ik die vraag echt terug naar de DDG. Het is hetzelfde als jouw vraag over minder films of evenveel films met een lager budget. Die vraag komt ook op het bord van de DDG te liggen. Willen regisseurs evenveel films blijven maken of willen ze een hogere uurprijs. Dit is een onderwerp dat thuis hoort bij het structurele overleg tussen het Fonds en DDG en DPN over dit soort zaken. Er is ook sectorbreed overleg gaande op dit moment. Dat is de plek om dit soort zaken neer te leggen.

Het haalbaarheidsonderzoek is afgeschaft door een van jouw voorgangers.

Mijn voorgangers waren hoofd van de afdeling documentaire. Ten tijde van Pieter Fleury is de overgang gemaakt naar consulent, met een ander takenpakket. Maar een van de dingen die ik belangrijk vind is dat de ontwikkeling van projecten meer op maat kan worden gestimuleerd. Voor sommige projecten is b.v. het maken van een teaser al vroeg in het ontwikkelingstraject noodzakelijk, terwijl dat nu nog gekoppeld is aan projectontwikkeling, laat in het traject. Het valt te verwachten dat er in dat opzicht aanpassingen komen in de regels. Door internet research is de noodzaak van een haalbaarheidsonderzoek vaak een stuk minder geworden, trouwens.

Sigrid Deykjaer in Denemarken co-produceert met haar regisseurs. Ze ontwikkelt projecten met die regisseurs en gaat later met die film de boer op, omdat ze los staat van een omroep. De opbrengst deelt ze met haar regisseur. Haar deel stopt ze dan in een volgend project. Iets dat in Nederland niet kan, want dan liggen de rechten bij NPS-Sales of wat dan ook.

Soms, niet altijd. Op zich is distributie nu een breed onderwerp van gesprek. Je hebt hier nu ook de pilot van de de Impact Academy, waar  impact producers zullen worden opgeleid. In Engeland heb je BritDoc met hun internationaal gerichte Good Pitch, waar zich mensen verzamelen die zich als partner aan documentaires willen verbinden. De bedoeling is dat je het maatschappelijk draagvlak vergroot op die manier. Het werkt twee kanten op. Als je dat al heel vroeg in je film doet, heb je partners waarmee je inhoudelijk en/of financieel je film kunt versterken. Aan de andere kant: aan het einde van het traject als de film klaar is, kan je diezelfde partners gebruiken om je film in de maatschappij af te zetten. Je kunt soms financiering krijgen en je hebt meteen publieksbereik. Geïnspireerd door die Good Pitch is hier in Nederland een opleiding gestart, waarin impact producers zich met dat soort aspecten van de documentaire gaan bezighouden. Dat wordt gesteund door de DPN, door de omroepen, de NPO, alle drie de fondsen, Cultuur en Media en  het IDFA. Dit soort maatschappelijke distributie willen we bij het Filmfonds naast theatrale distributie expliciet mogelijk maken.

Het is zonder meer waar dat de NPO dit soort distributie niet eenvoudig maakt. Je hebt daar de complicatie van het Commissariaat voor de Media, die alle betrokken contracten moet goedkeuren. En de rechtensituatie speelt ook een rol. Op het moment dat je de omroep 100% van je rechten geeft, kan je zelf niet meer distribueren. Er zitten dus haken en ogen aan, maar het is niet onoplosbaar. Het is een belangrijk onderwerp van gesprek, tussen producenten en omroepen, ook tussen Filmfonds en NPO. Het kan niet zo zijn, dat de NPO voor een groot deel van de documentaires 100% van de rechten krijgt. Dat zou niet alleen onterecht de onafhankelijke positie van makers en producenten ondermijnen, maar vooral ook zonde zijn omdat een potentieel publiek dan niet wordt bereikt. Documentaire is bij uitstek geschikt om ook nog iets anders mee te kunnen doen naast een televisie-uitzending.  Dat gebeurt vaak al, maar daar valt zeker nog veel te winnen.

Author: Peter Dop

Share This Post On

Commentaar, vraag, of antwoord? Draag bij!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.