Van Tita Tovenaar tot Frans Zwartjes en het Stifo

Voormalig editor en adjunct-directeur van het Stifo, Wouter Snip is in zijn eentje producent voor Kleine Beer Films en Jura Filmproducties. Zo produceerde hij o.a. De Staat van Ontkenning (Hedda van Gennep), Omke Jan (ook regie), Smakelijk eten (Walter Grotenhuis – zie bovenstaande foto) , Khandaan(theaterstuk en televisie, Denise Schreuder), Museum Belvédère, De Droom van Thom Mercuur (Severijn, Hin en Schippers) en nog samen met Ruud Monster en Jan Heijs I Soeni, De Droom (Carin Goeijers), Toda una Vida (Jacqueline van Vugt), The Year Zero (Wiek Lenssen) en Familiegeheim (Jaap van Hoewijk). Sinds 2009 werkt KBF/JURA ook aan theater- en televisieproducties met amateurspelers van diverse culturele afkomst over thema’s van nu.

Ik ben dit onderdeel van het vak ingerold toen ik wegging bij het Stifo in 2000. Ik ben op uitnodiging gaan samenwerken met Jan Heijs en Ruud Monster bij Jura. Ik had toen een eigen project. Het kostte me moeite dat te financieren en zo ben ik met hen gaan produceren. Toen het duidelijk werd dat Jan zou overlijden, is Ruud er uitgestapt. Jura viel uit elkaar en toen Jan in 2006 overleed, bleef ik alleen over. Er kwamen een aantal projecten op mij af, die ik leuk vond om van de grond te krijgen. Ik ben niet onhandig in het bij elkaar harken van geld. Dus zo is langzamerhand de situatie gegroeid, dat men mij producent noemt. Wat me op- en tegenviel was het wantrouwen van makers t.o.v. producenten. Ik snap het wel, maar dat is geen ambiance waarin ik wil werken. Dat maakt het voor mij lastig om me zelf producent te noemen. Dat wil ik liever niet.

Ik zoek mensen uit of mensen komen op mij af om gezamenlijk iets van de grond te krijgen. Zonder een heel duidelijke hiërarchische verhouding. Ik ga dus ook niet een project beginnen en dan iemand er bij zoeken om hem te maken. Het wordt wel steeds moeilijker om projecten te financieren. Ik heb nu net een grote documentaire van Walter Grotenhuis geproduceerd samen met Mark Daems van Associate Directors uit Antwerpen. Die draait dan een week of 8 in Pathé  en nog wat andere theaters. Aardig wat voorstellingen. Veel publiciteit en dan blijkt dat er aan het einde van de rit 1.800 mensen geweest zijn. Dat is teleurstellend. Later bij de release op DVD en VOD komt het publiek er wel op af. Organisaties, scholen, universiteiten, bedrijven. Dus de film wordt wel gezien. Alleen vind je dat nooit terug in de statistieken. Op de televisie had hij om 11 uur ’s avonds 129.000 kijkers. Dat vind ik dan geweldig, maar voor de televisie is het te weinig.

 

Wouter Snip met Hans Dunnewijk

 

Wat zijn je criteria om een project te doen?

Als ik het project sociaal-maatschappelijk of artistiek of cultureel interessant vind, wil ik het doen. Maar puur amusement, daar begin ik niet aan. Dat is er al genoeg. Het moet een noodzaak hebben. De maker komt met een idee. Dan kijk je of het je hart raakt en of er een goede samenwerking kan ontstaan, van: hier gaan we voor. Alle kanalen aanboren, die er maar zijn om te zien wat er te doen is met of zonder omroep. Omdat ik een eenmanswinkeltje ben, is de druk niet zo groot. Het lukt allemaal nog wel. Ik probeer zo 6 a 7 ballen in de lucht te houden en ik krijg er wel een paar aan de gang. Als er 2 of 3 tegelijk door zouden gaan, dan is dat wel meteen een probleem. Maar dat komt bijna nooit voor. Ik ben nooit in een situatie geweest dat ik iets moest doen om de winkel gaande te houden. Dat hoop ik ook niet te moeten doen, want dan ben ik met iets bezig dat ik helemaal niet leuk vind. In die zin ben ik niet een echte producent, een productiehuis of wat dan ook. Maar dat streef ik ook helemaal niet na. De samenleving wordt steeds onaangenamer, wreder, krankzinniger en radicaler. In het maken van televisie zou daarop nog meer gereageerd moeten worden dan nu gebeurd. Wat Tegenlicht maakt vind ik meestal erg goed, maar er is nog veel meer over te zeggen.

Khadaan

 

Op dit moment doe ik weer een project met en over Hindoestanen. De mores thuis is anders dan de mores op school. En die kinderen komen in de knoei. De Hindoestaanse samenleving is hier over verdeeld in twee kampen. We hebben daar vorig jaar een amateur-theaterstuk van gemaakt. We speelden het door het hele land en uiteindelijk heb ik er een bewerking voor de televisie van gemaakt. Op die manier maak je iets bespreekbaar. We zijn nu bezig met een vorm van een vervolg in Amsterdam in samenwerking met de VICO en in Utrecht met het Vorstelijk Complex en de Vrede van Utrecht. En dan nu ook met mensen van allerlei culturele achtergronden. Het thema is de liefde.

Hoe ben je begonnen?

Als editor. Ik ben in 1969, in het 2e jaar, van de filmacademie af gegaan. Ik vertrok naar Engeland, want daar kon ik een baantje krijgen als assistent-editor. Dat heeft zich verder ontwikkeld naar het monteren van 35 mm commercials met een kantoor hier in Amsterdam. Dus hier monteren en opnemen en dan naar Engeland om het af te werken. 35 mm op moviola’s monteren. Heel veel van geleerd. Toen ik terugkwam ben ik verder gegaan met monteren250 afleveringen van TiTa Tovenaar samen met een andere editor, Jan Pieter Borkus. In 1972 ben ik als een van de eerste freelancers voor de NOS gaan werken. Ze hadden 38 montagetafels in de Ambachtsschool in Bussum staan. Iedereen was overbelast; de werkdruk was enorm groot. Dus werden er freelancers ingehuurd voor de actualiteitenrubrieken: Achter het Nieuws, Brandpunt, Hier en Nu, AVRO’S Televizier. 16 mm

omkeer. Zondagochtend om half negen present tot half zeven ’s avonds en dan om half tien uitzenden. En vervolgens 17,50 gulden per uur schrijven. In 1975 heb ik een montagetafel gekocht samen met een andere editor, Co van Harten, die weg wilde gaan bij de NOS maar dat uiteindelijk helaas niet heeft gedaan. Dat groeide verder uit toen Erik Disselhoff en André de Jong er bij kwamen. We hadden vier montagetafels staan en een oude Klangfilm perfomachine. Zo’n tank met van die grote rollen er op. Allemaal film. Toen verschoof het naar VHS en U-matic. Dat heb ik ook nog gedaan. Daarna werd het allemaal elektronisch. In 1990 ben ik er mee gestopt. Ik had daar geen zin meer in. En ik werd gevraagd of ik adjunct-directeur bij het Stifo wilde worden.

Je hebt veel voor Frans Zwartjes gemonteerd. Tita Tovenaar en Zwartjes, een wonderlijke combinatie?

Zwartjes was daarna. Toen ik eenmaal monteerde, kwam ik toevallig met hem in contact. Een dierbare vriend. Hij is nu 86. Hij werkt nog steeds, maar maakt geen films meer. Ik heb heel veel gemonteerd voor het toenmalige kunstprogrammaBeeldspraak. Hij maakte iets over body-art. Twee afleveringen. Die heb ik gemonteerd.

 

Frans Zwartjes

 

Het was een prettige samenwerking. In 1972 ging Frans zijn eerste lange film maken met Willeke van Ammelrooy. It’s me, anderhalf uur. Ook die heb ik gemonteerd. Hij was echt een uitvinder. Hij deed allerlei dingen waar iedereen van zei dat het niet kon. Hij draaide die film samen met Mat van Hensbergen. Twee camera’s tegelijk, zo naast elkaar. De een iets hoger dan de ander. Een scenario was er niet. Dat vindt Zwartjes ook helemaal niet nodig. Het monteren bestond in eerste instantie uit het materiaal zorgvuldig te bekijken. En op een gegeven moment dachten we ‘zullen we maar eens beginnen’. Met iets in elkaar te zetten. En dan ging dat zo gewoon verder. En waar een dergelijke scene terecht kwam, was helemaal nog niet bepaald.

Er was op een gegeven moment een toneelbewerking van Medea van Euripides door José Ruiter en Canci Geraedts. De VARA wilde een soort registratie/bewerking voor de televisie. Daar zaten toen Marian Brouwer en Rients Slippens. Die dames zeiden dat is goed, maar dan moet Frans Zwartjes het maken. Volgens mij wisten ze niet waar ze aan begonnen. Ze vroegen Frans en die vond het wel leuk. Hij heeft dat stuk weer op zijn manier bewerkt. Het was zo dat hij bijhield of hij alle pagina’s gedraaid had. Hij filmde het op allerlei verschillende manieren. Hij was echt met het maken van een film bezig. En de tekstuele inhoud interesseerde hem niet. Het werd wel opgenomen en het zit er ook wel in, maar hij maakte er zijn eigen ding van. Hij gebruikte en gebruikt het materiaal als voorraad. We hadden geen rushes; we hadden voorraad. We zijn gaan monteren. Scènes zetten we in een soort volgorde en dat vonden we dan goed of niet goed. Maar of het nou pagina 1 tot pagina 10 was, was voor ons volstrekt irrelevant. Als er een pagina gefilmd was, ging er een groot kruis doorheen. Ze hingen allemaal aan de muur. Aan het einde van de rit bleken er nog een aantal pagina’s niet gefilmd te zijn. Toen zijn er nog na-opnames gemaakt om die pagina’s te draaien. En die meiden en de VARA vonden het allemaal prachtig. Die film is nog steeds heel bijzonder. Er gebeuren heel bijzondere dingen in. En dat werd ook zo geaccepteerd. Maar een kenner en liefhebber van Medea zal er niet van houden, want de volgorde is volstrekt niet gehandhaafd.

Ik heb daarna nog veel met hem gewerkt; nog drie à vier lange films tot het niet meer kon. In die tijd kon hij van CRM gewoon geld krijgen om verder te kunnen. Dat werd hem aangeboden. Of Hubert Bals zei: ‘ik heb hier nog 30.000 euro, kan je er wat mee? ‘Ja’ zei Frans, ‘dat is wel goed’. Hij had zijn camera altijd klaar staan, voor als er wat gebeurde. Dat heeft mijn opvatting t.o.v. filmmaken heel sterk beïnvloedt. Dat proces om daar mee te werken. Op een gegeven moment is dat opgehouden, omdat Frans ziek werd. Het kostte hem steeds meer moeite enging hij andere dingen doen. Veel muziek, schilderen en tekenen. Dat doet hij nog steeds.

Dat alles kwam voort uit de Beeldspraaktijd. Ik monteerde er de een na de ander. Het was een prachtige rubriek. De opzet van het programma was: ‘We hebben een kunstenaar en de maker van het programma, ook een kunstenaar, geeft zijn visie op die kunstenaar of kunstenares op zijn eigen wijze’. Dat mislukte weliswaar soms, maar het ging meestal heel goed. Er zijn heel mooie dingen uit voort gekomen. Dat kon ook, want er was elke week 25 minuten. Ik geloof dat er ongeveer 250 stuks gemaakt zijn. Het hield op toen de commerciële zenders in opkomst kwamen en de druk op de publieke omroep om veel publiek te krijgen, toenam. Dan houdt zoiets op. Ik zeg vaak tegen collega’s van mijn leeftijd: ‘We hebben de mooiste jaren van de publieke omroep meegemaakt’. Het leefde en aan alle kanten gebeurde er wat.

The Year Zero – Wiek Lenssen

 

Van Zwartjes naar het adjunct directeurschap van het Stifo.

Ik had in 1989 een documentaire gemaakt over de jazzmuzikant Herman de Wit. Dat was een van de eerste projecten, die bij het Stifo werd behandeld. Daardoor kwam ik in contact met Annemieke Gerritsma. Er was toen een discussie gaande waar we met de omroep heen moesten. Daar raakte ik bij betrokken. Het werk bij het Stifo werd te veel. Ik werd gevraagd voor de nieuwe functie van adjunct-directeur. Er was in Hilversum heel veel weerstand tegen dat fonds, omdat het gevoed werd met geld uit de omroepbegroting. Het was door de Minister ingesteld om de publieke omroepen te dwingen meer cultuur in de programmering te doen. Daar was heel veel weerstand tegen, vooral van de VPRO. Die vonden het een soort overheidsbemoeienis, wat het in feite ook was. Maar het resultaat was er wel. Er was toen 28 miljoen te verdelen. Er werd een heleboel meer geld besteed aan dingen die anders niet gemaakt zouden worden. Dat was een hele discussie. Ik weet nog dat Annemieke zei, dat dit fonds een tijdelijk fonds zou moeten zijn. Op een gegeven moment moeten ze het gewoon weer zelf kunnen. Dat is nooit gebeurd en het is alle kanten opgegroeid en is het Mediafonds geworden.

Het belangrijkste waren de documentaires. Het fonds subsidieerde ongeveer 25 à 30 documentaires per jaar en betaalde ontwikkelingsgeld aan een veelvoud daarvan; 300 à 350 projecten per jaar. Veel radio, hoorspelen en televisieseries. Daar ging veel geld in zitten. Vanaf 1994 is de verhouding met de omroepen beter geworden. Toen was het duidelijk waar dat geld allemaal heen ging. En er was dus meer geld te halen voor wat anders besteed zou zijn door andere omroepen aan andere dingen. Later mochten ook de kleine omroepen meedoen uit die pot. De IKON, de HOS en later de echte kleintjes ook. Het was interessant om te doen. Maar ook niet langer dan acht en een half jaar. Want dan moet er ook wel weer iets anders gebeuren.

 

Wat dan?

In 2000 kwam die belastingvoordeelregeling die bepaalde dat er films gemaakt zouden kunnen worden, gefinancierd met particulier geld. Daar zijn Ruud en Jan mee begonnen en ik ben daarbij betrokken geraakt. Daar kwam de film Year Zerouit voort. Er werd 435.000 gulden opgehaald bij in totaal 40 mensen, als ik het me goed herinner. Allemaal mensen rondom de maker Wiek Lenssen heen. Mensen die geïnteresseerd zijn in de cultuur van de Maya’s. Er zijn heel veel dvd’s van verkocht. De film heeft 13 weken in The Movies gedraaid en Wiek heeft hem ook in Duitsland uitgebracht en heeft er een boek bij geschreven. Dat helpt allemaal ook weer.

Herman de Wit

 

Als regisseur ben je voornamelijk bekend door de film Herbie Whiteover de jazzmuzikant en –pedagoog Herman de Wit.

Jonne Severijn maakte een speelfilm met Theu Boermans, Come-back en had Herbie White gevraagd er de muziek voor te maken. Zo werd ik met hem geconfronteerd, want ik monteerde die film. Toen heb ik zelf een toeter gekocht en ben naar De Wit gegaan en heb daar anderhalf jaar in dat Octopediansorkestmeegespeeld. Zo ontstond de gedachte voor de film. De financiering was wel grappig, want dat kon later niet meer. Het Filmfonds wilde niet. Toen zei Henk Suer (NOS): “ Ik heb 5.000 euro liggen; begin er nou maar aan”. We hebben drie dagen in het Bimhuis gedraaid. Daar heb ik iets uit gemonteerd, dat nog steeds het begin van de film is. Dat hebben we samen met een plan naar het Stimuleringsfonds gebracht. En zo kregen we het geld er voor. Later kon dat absoluut niet meer, dat een omroep 5.000 euro geeft en zegt: “begin maar”. Maar het werkte wel.

Het was improviserend filmen. We hadden twee meisjes gevonden, die hebben we allebei een altsax gegeven. Ze hadden nog nooit een noot gespeeld. “Ga maar naar De Wit toe”. Die zijn naar De Wit gegaan en wij zijn er achteraan gehobbeld. Herman had een drietrapsraket. De Octopedians was de basis. Iedereen, ook al had je van je leven nog nooit een noot gespeeld, kon meedoen. Daarboven had jeDe Boventoon, een semiprofessioneel orkest en dan ten slotte het Herbie White Orchestra. In principe kon je die drie fases doorlopen.

De Octopedians repeteerden elke maandagavond. Daar kwamen rond de 60 mensen op af. Er kwamen ook mensen binnen met hun koffer en die legden ze onder hun tafeltje en deden niet mee. Dan zei Herman: “Wat heb je daarin? Maak eens open. Meedoen!” De Wit hield scherp in de gaten dat iedereen ook meedeed: “Al speel je geen noot, maakt niet uit. Niet zeuren, meedoen! Onderweg bedenk je maar een paar noten”. En daar zijn heel mooie dingen uit voort gekomen. Hij was enorm aanstekelijk. Hij kon veel mensen van de grond krijgen. Hij kon dat heel goed leiden en mensen naar een hoger niveau tillen.

Maar het was moeilijk om structuur in de film te krijgen. Ik heb verschrikkelijk veel materiaal gedraaid. De structuur is gaandeweg de rit ontstaan. Want Herman had telkens weer verschillende ideetjes. Dan moest zijn zoon met diens orkestje erin. Of er waren weer andere belangen. Herman noemde zijn Octopedians de eerste opvang. Gewoon mensen die iets willen. Doe maar mee. Onderweg zien we wel. Herman de Wit en Zwartjes zijn de mensen, die mij hebben gevormd in het werken aan films. Zowel in het produceren als het maken.

Author: DDG

Share This Post On

Commentaar, vraag, of antwoord? Draag bij!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.