De regisseur als creatieve spil

Op donderdag 27 september vond tijdens het Nederlands Film Festival het jaarlijkse DDG-seminar plaats. Met in de ochtend, excl. voor DDG-leden, de sneakpreview van Silent City, de nieuwe speelfilm van Threes Anna. En ‘s middags diverse sprekers rond het thema: de regisseur als creatieve spil. De regisseur is de spin in het web van de creativiteit. Waar komt het vandaan; hoe geef je het vorm? Het is uiteindelijk de creativiteit die de regisseur uniek maakt. Verschillende experts en regisseurs belichtten diverse aspecten van dit proces. De moderator van deze dag was DDG-voorzitter Ger Poppelaars.

 

De creatieve regisseur is geen hagedis

 

 

Jeroen van der Weide (creative consultant) behandelt de vraag ‘hoe gebruik je je creativiteit optimaal en hoe doe je dat onder druk?; ben je dan nog in staat de juiste keuzes te maken?’

Het hersenbestand van de hagedis is het oudste stukje hersens van de mens. Iets nieuws betekent angst en stress. De hagedis heeft 3 manieren van reageren: vechten, vluchten en bevriezen (fight, flight and freeze). Vanuit de intelligentie van de mens is er een vierde manier bijgekomen: het omarmen (fuck). Bij het leren van het omarmen begint de creativiteit. Creativiteit valt in 4 zones onder te verdelen, resp. 1. vertrouwd, 2. inspiratie, 3. weerstand en 4. onbekend.

De zone ‘vertrouwd’ is het terrein van alledaagse situaties, waarbij je moet reageren op iets nieuws. In negen van de tien gevallen is dit het geval. Het gaat dan om ervaring, kennis, vertrouwen, de vertrouwde omgeving en patronen. De reacties zijn veelal spontaan. Toch is het een belangrijke bron van creativiteit, want je haalt er veel mogelijkheden uit.

Spontane creativiteit ontstaat tijdens bijv. het dansen, douchen, yoga, afwassen, toiletbezoek, duursport en voor of na het slapen. Je kan ook situaties opzoeken waarbij je je laat inspireren, bijv. door naar een dansvoorstelling te gaan. Je leent dan bij een ander. Zone 1 en 2 passen binnen de ‘comfortzone’. Als je naar een dansvoorstelling om je te laten inspireren, gaat, is het jouw bewuste keuze om daar naar toe te gaan. Het leidt tot vertrouwde inspiratie. Bij creativiteit hoort divergent denken. Dat je je steeds de vraag stelt hoe het ook anders kan. Als je bij een bepaalde vraag denkt ‘we zouden het zo kunnen doen, want zo hebben we het altijd zo gedaan’, dan zit je in de vertrouwde fase. Als je daarentegen denkt ‘ik heb dit of dat gehoord of gezien; laten we dat hier ook eens proberen’, dan zet je die stap vanuit inspiratie. Die grens is bij iedereen verschillend. In de comfortzone regeert de logica.

Deze twee zones leveren creativiteit op, maar het opent nog niet de vernieuwing. Daarvoor moet je over die grens. Daarvoor moet je naar de derde zone, die van de ‘weerstand’. Wanneer je uit de comfortzone komt, is voor iedereen een persoonlijke kwestie. Het is het moment dat je ergens tegen aanloopt waarvan je denkt: ‘hé, dit wil ik niet’. Analoog aan de hagedis. Die grens is voor iedereen verschillend, ook omdat ieders waarden en normen verschillend zijn. Als je de derde (weerstand) en vierde (onbekend) zone omarmt, i.p.v. dat je bevriest of vlucht of terugvecht, laat je de vertrouwde paden los. Je hebt het gevoel dat je de grootste levensbedreigende risico’s loopt. Het is het meest revolutionaire want je gooit een heel systeem overboord en je bouwt het opnieuw op. In die zones is het uitstel van oordeel het allerbelangrijkste. In de zones 1 en 2, die te samen de comfortzone vormen, hebben we te maken met divergerend denken, maar blijft de logica regeren. Bij 3 en 4 regeert de chaos.

Als je voor jezelf deze 4 zones als uitgangspunt neemt en je kiest voor de optie ‘fuck’ (‘omarmen’), i.p.v. de 3 hagedisopties (freeze, flight en fight), zet je je eerste schrikreactie om in het toelaten van nieuwe creativiteit.

Creatieve mensen hebben een enorme bak aan zone 2 materiaal.(‘inspiratie’). Alleen dreigt dat op een gegeven moment in zone 1 (‘vertrouwd’) te komen, want dan wordt het een gewoonte. Dan vernieuw je jezelf niet meer. Deze 4 zones geven je een handreiking om persoonlijk de creativiteit te vergroten. Het gaat erom het lef te tonen om iets aan te durven pakken, waar je tot nu toe eigenlijk niet je vingers aan hebt durven branden. Dat levert nieuwe inzichten op en dat is uiteindelijk een bron voor je creativiteit.

Één organisch creatief organisme

 

 

Threes Anna (regisseur) gaat in op het stimuleren van de creativiteit bij cast en crew. Haar werkwijze is voortgekomen uit een jarenlang artistiek leiderschap van de Dogtroep.

Een speelfilm maken is voor haar teamwork – dat moet je samen doen. Ze wil dat iedereen tijdens het lange traject actief deelneemt en onderdeel is van het proces. Als je in vier weken gigantische grote shows maakt, waar duizenden mensen betalend publiek op af komen, waarin je ze wilt meenemen in een wereld die ze nooit eerder hebben gezien en gehoord, kan dat alleen als iedereen in het team waarmee je werkt volledig meedoet, zijn ideeën deelt, ieder zijn eigen verantwoordelijkheid heeft en daar zorg voor draagt. Als je onder heel hoge tijdsdruk een compleet nieuwe werk moet maken met een groot team, op een nieuwe plek, meestal in een vreemd land, houdt dat in dat jij als regisseur het schip moet sturen. Jij bent verantwoordelijk voor de overall visie en stelt de grenzen, maar verder moet je vertrouwen op de kwaliteit van de experts uit je team, want je bouwt op hun kennis en fantasie. Samen vorm je één organisch creatief mechanisme. Bij een filmproductie is haar uitgangspunt niet veel anders dan bij de Dogtroepproducties. Als ze een gesprek aan gaat met crewleden, stelt ze vragen. Ze nodigt ze uit en verleidt ze met ideeën te komen, deel te nemen aan het proces, want ze is ervan overtuigd dat de optelling van meerderen geesten een rijker product levert dan wanneer het uit één geest komt.

Als de draaiperiode begint gaat ze er dus van uit dat veel nog open is, dat niets is beslist en alles kan veranderen. Natuurlijk is ze heel goed voorbereid, ze heeft het script zelf geschreven en ook de roman waarop het script is gebaseerd. Dus ze kent haar materiaal door en door, en ze weet waar ze naar toe wil. Maar ze gaat ervan uit dat ze halverwege zijn, en dat er nog heel veel invloeden en ideeën bij moeten. Dat als zij iets bedacht heeft het niet betekent dat dat het beste is. Ze kan dus niet maken wat ze wil maken zonder de inbreng van de crew en de cast.

Voor haar tekst verwijs ik naar de het volgende artikel in de DDG Gazet, waar haar lezing integraal is opgenomen.

 

 

Aandacht is het nieuwe zwarte goud

 

 

Sidney Vollmer (schrijver, regisseur, public speaker) gaat in op de vraag hoe de regisseur creatief kan omgaan met de nieuwe digitale mogelijkheden.

Vollmer nam het zichzelf altijd kwalijk dat hij bij het lezen van Tolstoy’s Oorlog en vrede en Gogolj’s De dode zielen nooit verder kwam dan pagina 150 of 200. Tot dat iemand hem uitlegde dat hij zich daar niet schuldig over hoefde te voelen. Want die boeken zijn geschreven in een tijd dat mensen zich een hele winter lang bij een olielampje moesten bezig houden en niets anders hadden dan dat ene boek. Dus komen die boeken uit een ander referentiekader. Een Volkskrant van zaterdag bevat meer informatie dan iemand in de Middeleeuwen in zijn hele leven bij elkaar kon vergaren. Vollmer zet de sociale media counter aan. Die houdt per seconde bij wat er op internet gebeurt. Op dat moment is er sprake van 20.000 twitterberichtjes, 155.000 app downloads en in 10 seconden worden er 231.482 video’s bekeken op YouTube. Er is sprake van 2 miljard views per dag op YouTube; 2 miljoen blogposts per dag worden er geschreven. Kortom er is een ware mediastorm aan de gang. Hij citeert een passage: ‘Hollywood is not in the business of making movies; it is in the business of coming up to reasons not to make movies’. Hij trekt de parallel naar zijn eigen praktijk: Fondsen willen het wel, maar er is altijd een maar. Er wordt heel weinig geproduceerd zonder vorm van staatssteun. Dat maakt het nog moeilijker om je film gerealiseerd te krijgen. Tel dat op bij het besef dat er zoveel data worden geproduceerd en alle videocontent die er op YouTube wordt geupload (48 uur aan video per uur). Daar moeten wij als makers ons van bewust zijn.

Aandacht wordt enkel schaarser. Waarom zou ik 5 seconden aandacht besteden aan jouw tweet? Waarom zou ik 1 ½ uur naar jouw verhaal kijken, laat staan er voor betalen. Door die enorme woekering van media-, data- en aandachtstrekkers, zal het steeds meer gaan om de context van verhalen. Het metaverhaal, de hypertext, alles er om heen.

Traditioneel begin je als maker met een premisse, een logline, een bepaalde noodzaak. Vollmer wil proberen het publiek het van een andere kant te laten bekijken. De basis is niet de logline of de synopsis, maar de meme. De meme is een concept bedacht in 1976 door Richard Dowkins, een evolutionair bioloog. Dowkins zocht naar een manier waarop evolutie toegepast kan gaan worden op cultuur. Alles wat een cultureel product is en dat vraagt om je aandacht en zich nestelt in de maatschappij, heeft zich doorgeëvolueerd in de maatschappij (van handenschudden, een oorbel, een deuntje in de Hema, de man in de Albert Heyn-reclame tot mode of ideologieën). En het heeft zijn waarde bewezen in onze interacties. Het zelfde geldt voor films. Het heeft een sociologisch systeem. Je moet niet nadenken over je product als film maar als container van de meme.Door te gaan schrijven i.p.v. regisseren is Vollmers meme dynamischer geworden. Hij kan het idee dat aan de basis ligt van zijn verhaal sneller communiceren. In de mediastorm is het belangrijk dat je de relevantie van je verhaal en iedere andere relevantie, m.a.w. je meme vindt. Het is the survival of the fittest. De gene, die het meest is toegerust op de veranderingen in het ecosysteem, overleeft. Je hebt geen film geregisseerd; je koestert een meme. Dat klinkt abstract, maar het is al aan de gang. Wij makers moeten ons realiseren dat het creëren van een ecosysteem iets anders is dan marketing. Er is zo gigantisch veel. Dus moet het gelegitimeerd worden dat ik naar jouw film of tv-serie ga kijken. Ik moet op zoveel plaatsen geconfronteerd worden met die meme dat ik er niet meer om heen kan. De mediastorm, het toenemende aantal data waar we over kunnen beschikken, zal het karakter van onze creativiteit veranderen. Fictie als kunstvorm sterft niet uit, maar wordt opnieuw uitgevonden.

Vollmer laat enkele (Amerikaanse) voorbeelden zien, waarbij sprake is van websites met filmpjes, applications, fictieve personages die mensen via LinkedIn benaderen; alles wat leidt tot een hoop getwitter. Alles om een film te faciliteren. Het is het hypertextuele verhaal – de ruimte van je meme vergroten. Daar gaat het om. Zo heeft Warner Bross een serie gelanceerd op YouTube. Onderwerp: de nabij toekomst. Mensen met een telefoon in hun oog, zodat ze alleen maar op hun ooglid hoeven te drukken om iemand te spreken. Dat soort werk. Elke week een nieuwe aflevering en een heel ecosysteem er om heen van extra video’s, foto’s en kaarten. Je klikt dan op bijv. de kaart van Finland en de Finnen worden in het Fins met allerlei informatie op de relevantie van de serie gewezen.

Je verhaal moet altijd gratis beschikbaar zijn

Welke lessen kunnen we hieruit leren? 1. Vanwege die mediastorm moet je er voor zorgen dat je verhaal altijd beschikbaar moet zijn, wil je de kans hebben dat jouw verhaal gezien wordt en dat het zich verder kan gaan voortplanten. En 2.: Laptops worden aan het eind van hun cyclus door de consument vervangen door tabloids. Een gigantische verandering waarop we media consumeren. We kunnen met eentabloid overal zitten. Dat zou je als maker moeten inspireren over hoe je je verhaal vertoond wil gaan krijgen. En dus hoe je die meme kunt gaan verspreiden.

Vollmer geeft een voorbeeld uit zijn eigen praktijk. Hij is bezig met het schrijven van twee boeken. Tegelijkertijd ontwikkelt hij het ook voor de tabloid en is hij bezig met een tv-serie daarvan. Omdat hij denkt dat het belangrijk is dat het op alle sociale media aanwezig is en dat al die verschillende manifestaties van het zelfde verhaal, de zelfde meme, op elkaar ingrijpen en elkaars betekenis versterken. Vollmer: “We zijn dus aan het proberen het hypertextuele, het seriële, het crossmediale in mijn tweede boek te vangen.” Hij heeft een digital creative agency en een grote filmproducent om het te verfilmen.

De boodschap is: Maak het mooiste verhaal en het meest geschikte ecosysteem voor je meme. Je kan niet anders dan zoeken naar thematische hertalingen van je verhaal, je synopsis, je logline op andere vlakken. M.a.w. je moet de temporele relevantie van je meme vergroten: dynamische verhalen, korte afleveringen, altijd gratis beschikbaar, waardoor je je meme kan laten groeien.

Er wordt een vraag gesteld over de lengte van speelfilms.

Vollmer: “Van oorsprong waren de films 40 à 45 minuten. Nu 110. Omdat dat de gemiddelde lengte is dat iemand zonder plaspauze het kan volhouden. Ik merk dat ik gauw een tabloid of smartphone er bij pak en dus behoefte heb aan veel meer input dan de traditionele kanalen mij bieden”.

En zou Tolstoy nu nog zo’n boek kunnen schrijven?

“Serieel, dus ophakken in afleveringen. Net zoals tv-series het nu aan het winnen zijn van films. Iedereen kijkt Breaking Bad. Dat soort langere spanningsbogen worden relevanter geacht en er is meer input. Dat vinden we prettiger, zoveel meer input”.

Er is een rare chemie aan de hand

 

 

Michiel Romeyn (acteur, grafisch ontwerper en beeldend kunstenaar) over creativiteit van beeldende kunst tot zevende kunst. Ger Poppelaars gaat met hem in gesprek.

Romeyn laat zich inspireren door wat hij op straat tegen komt. Vanuit de behoefte je iets eigen te maken. Romeyn: “Als ik iemand op straat zie, denk ik: ‘hoe zit dit in elkaar, wie is dat dan?’ Dat fascineert me en dan blijft dat hangen. Meestal is het toeval en verder is irritatie een grote inspiratiebron. Wrok ook vaak. Mensen waar ik me ongehoord aan erger, wil ik gewoon nadoen. Als je iets nadoet, beheers je het ook.”

Romeyn maakte sculpturaal werk over Volkert van der G. en de penose in Amsterdam. Grote roze kasten, 1.80 bij 1.20 meter, 3-dimensionaal, velours en ledlampjes met alleen de deurknop van Willem Endstra. Of diens wc-rol-houder. Waar de Holleeders en de Kleppers dus ook gezeten hebben. Allemaal attributen die Romeyn uit Endstra’s huis heeft gehaald toen dat verbouwd werd. Bijna religieuze relikwieën van Amsterdam in de negentiger jaren. Alles heeft betrekking op moord en doodslag. Zo heeft hij ook alle plekken gefotografeerd waar alle liquidaties van de zware jongens in Amsterdam plaatsvonden. O.a. patronen van stoep- of straattegels soms met de bloedvlekken van de geliquideerde. En dan opgeblazen tot grafische Mondriaanachtige kunstwerken. Allemaal vlak na de moord gefotografeerd.

Romeyn: “Het effect is, dat als je het vertoont in kasten of die foto’s in mooie stalen lijsten, dat je dan relikwieën krijgt. De hertengeweien van Amsterdam. Je denkt ‘het zijn structuren of mooie foto’s’. Totdat je zegt: ‘Dit is de plek waar Klepper of Endstra is neergelegd’. Dan zeggen mensen: ‘Jezus Christus, wat eng’. Opeens wordt iets dat eigenlijk heel gewoon is, heel beladen. Als je naar die plekken gaat en je kan er bij als die mannen in witte pakken verdwenen zijn, denk je: ‘alles is weg alsof het aceton is, terwijl er toch iets heel ergs gebeurd is’. Ik vind het interessant om dat vast te leggen”

Over een installatie met Volkert van der G.: “Je hebt een jeugdfoto van Volkert van der G., die hij zelf heeft laten maken. Links zie je een plastic bekertje met koffie, een toppunt van verveling. Het hoofd van die Volkert is ook het toppunt van verveling. Rechts zie je een weg, dat duurt een uur. Ik heb de route gereden die Volkert van der G. heeft gereden van Bennekom naar het Mediapark. Ik ben precies uitgestapt bij Celebesstraat 44. En te voet verder gegaan. En hier op de radio hoor je het laatste interview met Ruud de Wild en Pim Fortuyn. Wat heel wrang werkt, omdat je weet wat er gaat gebeuren. Je ziet dat hoofd van die jongen en die stem van Fortuyn. Daardoor denk je: ‘er is een hele rare chemie aan de hand’. Een hele enge, kokerdenkende vent die dat flamboyante van die Fortuyn niet kon hebben. .

Iets dat heel normaal is, wordt opeens heel beladen, als je weet dat iemand daar is neergeschoten. Dat is het bijzondere van beeldende kunst, dat het een extract maakt van alle informatie die in je hoofd zit. De behoefte om iets vast te leggen. Het moet triggeren, het moet iets te weeg brengen.

Een sketch heeft een verloop, een begin en een eind. Romeyn: “Bij Jiskefet riepen we altijd: ‘Geen eind, want dan is er geen bal meer aan’. Het leuke is als je iets veroorzaakt, waarvan men denkt ‘Wat is dit? Waar gaat dit over in godsnaam?’ Het is spelen met beeld en een verwachtingspatroon. Het leuke aan de dingen, die ik gemaakt heb na die Jiskefetperiode, is dat het te maken heeft met iets dat helemaal ingedikt is in één beeld. Dat probeer ik te vangen. Één plaatje is genoeg voor een heel boek, sketch of film. 

Stilte als taal en communicatie

 

 

Stella van Voorst van Beest(regisseur) vertelt naar aanleiding van haar nieuwe documentaire Hoe luidt het land? wat haar inspireerde tot het maken van een portret van Nederland vanuit het perspectief van het geluid. Een poging om naar een vertrouwde omgeving op een nieuwe manier te gaan kijken.

Het begin van het idee ontstond toen ze voor research lange tijd in een huisje alleen in een bos in Finland verbleef. Daar werd ze geconfronteerd met stilte. Stilte als taal en communicatie triggerde haar. Van Voort van Beest: “Ik heb twee jaar de herrie van het renoveren van huizen in mijn straat om me heen gehad. Langzamerhand raakte ik gefascineerd hoe de mensen die daar aan het werk waren, daarmee omgingen. Behalve dat ze met een drilboor bezig waren zonder oorbescherming, hadden ze op elk niveau van de steiger hun eigen gettoblaster met hun eigen muziek. Op een gegeven moment waren er situaties dat ik voor het raam stond om zo’n bouwvakker te vragen of zijn muziek 8 uur ’s ochtends wat zachter kon. En dat hij dan het gebaar maakte: ‘ik kan je niet horen.’ Toen dacht ik: ‘het is interessant hoe mensen met hun geluidsomgeving omgaan”. Uit onderzoek blijkt dat er in Nederland geen plek meer is, waar het stil is. Een derde van de Nederlanders zegt daar last van te hebben. Dat bij elkaar geraapt, vormde het beginpunt om daar over na te gaan denken voor een film.

Het is een hot onderwerp onder wetenschappers, kunstenaars en planologen. Wat het voor Nederland heel interessant maakt, is dat we in een klein en vol land leven. Niet alleen is ons landschap heel vol; ons geluidslandschap is ook heel erg vol. Van Voorst van Beest: “Dus dacht ik dat je een soort grip moet krijgen op hoe je het land indeelt. Ik heb geprobeerd Nederland behapbaar te maken en het onderverdeeld in een aantal geluidstypen. En daarna ben ik er in gedoken”.

Ger Poppelaars: “De vorm is radicaal; weinig pratende hoofden. Het is echt kijken, hè? Het is heel erg observerende cinema”.

Van Voorst van Beest: “Het is luisteren en kijken: waar zie je geluid in het landschap? En we hebben maar liefst zo’n 4 à 500 km. geluidswal door Nederland lopen”.

Er worden meerdere fragmenten uit de film getoond. Één betreft vliegtuigspotters bij Schiphol. Van Voorst van Beest: “Ik had ook met die mensen kunnen gaan praten over wat ze mooi vinden aan vliegtuigen en het geluid. Maar voor mij is het dan meteen dood en is het weg. Wat ik zo mooi vind, is dat al die mensen daar in een ongelofelijke herrie zaten. Want dat is best fors geluid daar. De generator van de patatkraam, die vliegtuigen. En dan zaten die mensen in die auto’s in een soort eigen geluidscocon. Dus deze man met een Julio Iglesiasnummertje. En andere mensen met een computerspelletje en de radio aan”.

Poppelaars: “Hoe hield je nou je inspiratie, je basisidee gaande? Tussen een hutje in Finland en dit. Heb je het continu kunnen vasthouden of ben je ergens afgeweken”?

Van Voorst van Beest: “Ik ben voortdurend afgeweken. Ik heb verspreid over een jaar gedraaid. Ik ben de deelgebieden eigenlijk blijven researchen. Dus ik draaide, maar was ook nog bezig met researchen. En daarmee vervielen sommige ideeën en kwamen er nieuwe bij. Ik had natuurlijk wel een script en een lijn en heel veel scenes, maar er is bijgekomen en afgevallen. Zoals het gaat.”

Poppelaars: “Ging je op de bonnefooi”?

Van Voorst van Beest: “Ik wil de plek waar ik draai snappen en wat de mensen daar doen. Dus ik heb meerdere keren rond Schiphol gewandeld. Ik heb zelf ook vliegtuigen zitten spotten, bijv”.

Poppelaars: “ Heb jij het idee dat je altijd put uit dezelfde creatieve bronnen in al jouw films? Heb je er een noemer dvoor?”

Van Voorst van Beest: “Ik moet me een beetje kunnen verkneukelen. Dat ik denk: ‘goh, wat raar. Ik heb wel zin om daar heen te gaan’. Ik heb veel in het buitenland gedraaid. In het buitenland is het al heel gauw fotogeniek of is iemand een karakter. Maar op die manier naar mijn eigen land kijken, vind ik lastig. Dus als je het over een creatieve bron hebt; ik moet me er niet vertrouwd voelen. Ik moet een nieuwe trigger hebben. Dat was in dit geval de vraag ‘hoe kijk je naar je eigen land als je alleen op het geluid let?’ Dan ben je op een gegeven moment toch ook weer in het buitenland door de locaties langs de snelweg. Ik wist niet dat het bestond. Het is fijn om twee jaar door je eigen land te reizen alsof het een ander land is. Die afstand is nodig.”

Vertrouwen op iemands talent en durven risico te nemen

 

 

Paul Ruven presenteert het boekDe Nieuwe Regisseurs (Paul Ruven en Robbert Vos, Stone Hollywood Publishers, 2012)

Het is het eerste boek over Nederlandse regisseurs. 15 Meer artistieke regisseurs, die aan het begin van hun carrière staan, worden vragen gesteld als: ‘Hoe doe je het nu? Hoe begin je als regisseur? Hoe gaat het van het begin van de inspiratie tot en met de première? Wat maakt een regisseur dan mee’? Zijn angsten, zijn tips, zijn visies, zijn gedachtes.

Ger Poppelaars citeert Eric de Kuyper uit de inleiding van het boek: “Film is behalve een goed uitgewerkt concept vooral vertrouwen op iemands talent en durven een risico te nemen, want niemand weet van te voren of een film goed wordt. Ook niet al die mensen die filmplannen beoordelen, want dan hadden we alleen maar goede films. Dus je moet op je eigen talent vertrouwen en dan het risico nemen. Dan wordt het of super geweldig of helemaal niets. De enige manier om echt iets super bijzonders te maken is je kans op falen te verdubbelen en weg te gaan van de oude vertrouwde methodes die ooit werkten, maar geen enkele toekomstgarantie bieden”.

Ruven: “De grootste klacht van de makers is dat bij artistieke films de fondsen niet begrijpen dat een scenario niet perfect hoeft te zijn om het daarna te kunnen verfilmen tot een bijzondere film. Artistieke scenario’s groeien tijdens de opname en ook daarna. Dat is de grootste klacht. Eigenlijk moet je vertrouwen hebben dat het goed komt. Een scenario verandert en verandert. Je moet niet een perfect scenario willen inleveren”.

Ruvens eigen bron van creativiteit: “Excitement. Als iets me opwindt, ga ik het doen. En de faalangst meteen er na. Lukt het wel? Het moet je enorm opwinden, anders trek je het niet 2 à 3 jaar en al die vernederingen en afwijzingen, die je krijgt”.

Directeur van het Filmfonds, Doreen Boonekamp overhandigt de eerste exemplaren van het boek aan twee vers afgestudeerden van de Filmacademie.

Deze dag werd mede mogelijk gemaakt door het Nederlands Filmfonds en het Nederlands Film Festival.

 

Author: DDG

Share This Post On

Commentaar, vraag, of antwoord? Draag bij!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.