Upcoming (deel 4 van 10): Youri Dingemans

In het vierde deel van de tiendelige serie over nieuwe regisseurs (NFA en HKU, lichting 2015) vertelt Youri Dingemans over zijn afstudeerfilm Het Goeie Leven. In deze sociaal-realistische film over het Brabant van de jaren ’90 volgen we bewoners tijdens hun dagelijkse bezigheden in een fictief Brabants dorp. 
De gemeenschap maakt zich op voor de tradities van de decembermaand; de gezelligste maand van het jaar.

“Onze film is een combinatie van Roy Andersson en Michiel van Erp. De cameraman met wie Van Erp veel samenwerkt, Mark van Aller, heeft een soortgelijke stijl als Andersson. Ook hij werkt met totaalshots die heel lang blijven staan. Er wordt iemand geïnterviewd en in plaats van dat er een close-up of een rider wordt ingezet op de momenten dat je emotie wilt zien, zie je alleen maar de hele kamer waar de persoon in zit. Je ziet aan de kamer al zo veel van die persoon. Net als bij de films van Andersson blijf je heel erg toeschouwer. Je hebt nog weleens dat hij heel langzaam een pannetje maakt of heel langzaam beweegt. Ik kan verklappen dat er in onze film ook één beweging zit, voor de rest zijn het allemaal strakke kaders.

“Als mensen zeggen dat onze film heel erg lijkt op films van Roy Andersson dan zijn we daar hartstikke blij mee natuurlijk. Maar we zitten niet in de absurde wereld van de hele bleke mensen met te grote kleren en zo. Ik hou er heel erg van, maar ik zou het niet kunnen. Ik ben te jong om daar aan te beginnen, denk ik. Ik kan beter eerst maken wat ik ken en dat is het dorpsleven.”

YOURI_900

“Ik heb het project van Het Goeie Leven opgezet met Martijn Melis, hij zat eerst op de HKU maar is nu derdejaars op de Filmacademie en doet daar camera. Hij is een huisgenoot van mij en met hem heb ik heel lang aan de film geschreven. We gingen in het Utrechtse Kanaleneiland wonen. Hij komt uit De Mortel en ik uit Dongen en dan is het verschil met Kanaleneiland extreem groot. We waren thuis aan het benoemen wat het verschil was; hoe passief-agressief het er soms aan toegaat in een dorp ten opzichte van de stad bijvoorbeeld. Je komt dan uit bij stereotypen: iemand die heel bot is of heel direct is de Amsterdammer en de zachte, achter de rug om, is de dorpeling.

“Toen we het er tijdens de afwas over hadden zijn uit die gedachtes een paar situaties ontstaan. Een typisch gesprek tussen een jongen en een meisje in de bus bijvoorbeeld. Het ging ons erom de herkenbaarheid van die situaties bij elkaar te vinden: een zuipkeet of een voetbalclub met een of andere huldiging of een gemeenteraad. We hadden het idee dat als we dat in deze stijl zouden filmen dat dat heel mooi zou kunnen werken. Dat je niet meevoelt, maar gewoon staat te kijken wat er allemaal gebeurt. Nadat producent Rik Vaessen zich bij ons aansloot, ben ik begin van het tweede jaar begonnen met schrijven.”

Crowdfunding

“Er wordt vanuit Voordekunst, vanuit fondsen en vanuit Cinecrowd geadviseerd om niet meer dan 3 à 4 duizend euro bij elkaar te halen. Daar kun je bijna geen film voor maken. Uiteindelijk hebben we 10.000 euro opgehaald, mede doordat je bij Voordekunst het gecrowdfunde geld krijgt als je 80% van het streefbedrag hebt binnengehaald. We hebben één scène geschrapt en toen was het haalbaar.

“We merkten dat het moeilijk was om aan mensen uit te leggen wat voor film we wilden maken. Als we Roy Andersson noemden, dan keken ze ons raar aan. Het is heel moeilijk uit te leggen wat voor stijl dat is en dus besloten we om het crowdfund-filmpje in dezelfde stijl te doen als de film zelf. Toen we het filmpje lieten zien bij Cinecrowd vonden ze het niet duidelijk genoeg. Ze adviseerden ons het two-shot dat op de beamer staat full-screen te maken en de rest weg te laten. Dan snap je dus totaal niet wat de achterliggende gedachte is.

“Dat is dus precies wat er fout gaat: er moet een bepaalde zekerheid zijn; veel mensen moeten het leuk vinden. Maar als je dan een soort ding maakt voor een niche, voor een kleiner publiek van filmliefhebbers, dan is er weinig geld voor en dan vindt Cinecrowd het bedrag al snel te hoog.”

“Ik stond er van te kijken hoe terughoudend bedrijven zijn om te investeren in film. Ze zijn wel bereid om spullen te leveren of een keer een bus uit te lenen, maar het idee dat bedrijven geld zouden geven, dat heb ik overschat. Wel hebben we veel gehad aan het BKKC, het Brabantse Kenniscentrum voor Kunst en Cultuur. Nee, ik vond het lastig. Ik vond het té lastig eigenlijk.

“Het filmpje voor Cinecrowd was een heel goeie test. We konden allerlei dingen uitproberen. Zo konden we experimenteren met licht. Hoewel we heel veel lampen hebben gebruikt ziet het er nog steeds uit als een donker hol. We wilden de schaduw van de mensen helemaal weg hebben. Tegelijkertijd konden we erachter komen hoe het werken met non-acteurs zou uitpakken. Op één jongetje na dat in musicals speelt, zit er in de film geen enkele acteur. Daarnaast konden we onszelf allerlei praktische vragen stellen. Kunnen we werken met oudere non-acteurs? Kunnen we van een afstand filmen? Hoe werkt dat met geluid? Kunnen we volhouden dat het klinkt alsof je daar staat? Moet de camera op ooghoogte staan? We waren tevreden met het crowdfund-filmpje, het was een ontzettend goeie test.

“Bij het crowdfund-filmpje hoefden de mensen alleen maar in de zaal te zitten. Er loopt een oudere man weg en er komt een man met een regenpak binnen, meer is het niet. Maar het is natuurlijk allemaal super getimed. Die timing kun je regelen door zo’n oude man aan te duwen: nu moet je gaan lopen. Maar in de film zelf zit tekst. En dan kom je er bijvoorbeeld achter dat te veel repeteren een scène kapot kan maken.”

Werkwijze

“Er zaten wel zestig scènes in de race en uiteindelijk hebben we er een stuk of zestien uitgekozen. Dat zijn de scènes die we het beste bij elkaar vonden passen, want het moet natuurlijk wel één film blijven. We hebben nagedacht over het verloop van het verhaal en of we een paar keer terug konden gaan naar een bepaald persoon. Zo zijn we gaan puzzelen. We zijn ongeveer twee jaar bezig geweest met het script voordat we met de daadwerkelijke voorbereiding begonnen.

“Als we op de set kwamen dan werd eerst de camera geplaatst en vervolgens gingen we het aankleden zoals de camera het zag. Op de grond werd met tape aangegeven waar het kader liep. Binnen dat kader zijn we alles precies zo aan gaan kleden als we het wilden hebben. We namen een halve dag per shot de tijd. We hebben maximaal twee shots per dag gedraaid, soms één. We hadden een heel grote monitor neergezet. Het was een kwestie van de hele tijd op en neer lopen; kijken, plakbandje hier, opnieuw kijken, enzovoort. Je kunt het vergelijken met schilderen.

“Normaal kun je je bij film super lang voorbereiden. Daarna moet je twintig of soms dertig slates draaien op een dag. Al die instellingen kosten heel veel tijd. Meestal is er geldgebrek waardoor het ombouwen en het shot maken niet zo lang kan duren. We vonden het belangrijk dat er geld genoeg was om in ieder geval een halve dag te kunnen schilderen. Op die manier konden we een halve dag zeggen: ‘Nee, nog net niet, nog net niet goed genoeg’. We gingen pas opnemen als het helemaal klopte. Dat is ook de reden waarom we hebben gezegd: ‘Of we halen heel veel geld op of we maken ‘m niet’.”

Is je film geworden als een Roy Andersson film? En was dat de bedoeling?

“Wat ons inspireerde is zijn vorm. Dan heb ik het over de montage, zijn shots, zijn lens-keuze en de afstand tot de acteurs: het effect dat je als kijker toeschouwer bent. Voor de rest hebben we de wereld van Andersson zo min mogelijk overgenomen. Dat is iets wat wij nog niet kunnen op die manier. Daarnaast wilden we het combineren met iets anders. Iets waar bijna geen aandacht voor is. Zoals in de serie Lang Leve… van Michiel van Erp. Weinig mensen kennen die serie, terwijl ik dat ontzettend goed vind. We dachten: ‘Als we die twee wereld kunnen combineren, dan zitten we in een Nederlandse Roy Andersson-niche’.

“Inhoudelijk vind ik het geen Andersson-film. De mozaïek-vertelling is natuurlijk Roy Andersson, maar zijn films zijn absurd. Het zijn mensen die zich begeven in een niet bestaande wereld. Mensen zijn geschminkt en fantasie en werkelijkheid lopen door elkaar. Hij mixt absurdisme en fantasie met een statisch totaalshot. Ontzettend mooi, maar wij hebben ervoor gekozen om gewoon het dorpse te laten zien in zijn stijl. Zoals de Russische montage ook ooit een stijl was. Verder zit er niets in de film wat niet kan. Daarom voelt het ook een beetje documentair aan.”

Wat vond je van A Pigeon?

“Hij kon alleen maar tegenvallen, want ik ben echt fan van You, the Living / Du Levande [ 2007], die vind ik echt heel erg goed. In de making of kun je heel mooi zien hoe ze de scène hebben gemaakt met het huis op een rijdende rails. Hij werkt in slechts één kleine studio. Dat het allemaal in zo’n kleine ruimte gemaakt wordt, zie je in de film niet terug.

“Toen hij een nieuwe film gemaakt had [A pigeon sat on a branch reflecting on existence] dacht ik: ‘Nou ga ik het zien’. Er is een scène waarbij iemand in de camera kijkt waardoor je een vervreemdend effect krijgt. Hij kijkt je aan, maar je ziet hem een beetje lezen van een autocue. Daardoor valt de scène voor mij helemaal weg. Het kan ook zijn dat ik de film minder goed vond omdat ik hem tijdens het IFFR heb gezien. De zaal was aan het lachen en daar wordt de film heel anders van. Als ik nu Du Levande zou kijken met lachband zou ik die waarschijnlijk ook een stuk minder goed vinden. Juist die stilte heeft de film nodig.

“Als ik iemand Roy Andersson aanraad dan noem ik altijd Du Levande. Songs from the second floor [2000] vind ik fantastisch, maar er zijn heel veel mensen die dat te negatief vinden. Hij is misschien een beetje naar zijn publiek gaan luisteren en wat lichter geworden.”

De film Kreuzweg [Dietrich Brüggemann, 2014] bestaat ook (bijna) geheel uit scènes met één statisch shot.

“Code Unknown [ Code Inconnu, Michael Haneke, 2000] heeft dat ook. Elke scène heeft één shot. Dat vind ik hartstikke goed. Roy Andersson zegt ook: bij elke knip, ook al is het maar een fractie van een seconde, ben je even uit de film. Je bent dan een fractie van een seconde aan het denken: waar ben ik nu? En daar heeft hij wel gelijk in. Montage kan voor veel genres werken, voor sommige werkt het niet.

“Voor wat hij wil doen is dit dé manier. Dat is wat Haneke ook doet: je staat erbij te kijken en je kunt niet ingrijpen. Machteloosheid werkt bij Haneke en Andersson, juist door niet te knippen en zo op die afstand te staan, zo ontzettend goed. Dat is bij onze film ook: dat je zit te kijken naar een man die helemaal verslagen aan een tafel zit. En dat je daar dan naar moet gaan zitten kijken, daardoor werkt het.”

Is je film helemaal gelukt?

“Ja, hij is wel wat ik wil dat hij is. Wel ben ik bang dat de verstaanbaarheid een probleem kan zijn. Ik heb er echt op gehamerd dat mensen gewoon praten zoals ze normaal ook praten. Er zijn mensen die in dialect praten. Het wordt niet aangedikt, maar het is ook niet minder. Ik ben dan bang dat mensen het niet kunnen volgen en dat er ondertitels nodig zijn. Dat zou ten koste gaan van de film.”

Je wilt geen ondertiteling omdat dat afleidt en je wilt dat het zo natuurlijk mogelijk klinkt. Wil je dat de kijker het verstaat?

“Ik denk dat je in vlagen op moet kunnen vangen waar het ongeveer over gaat. Dat is genoeg. Ik wil dat je als kijker vooral de tijd hebt om de gebeurtenis van de scène te bekijken. Wat is de relatie tussen die mensen? Waarom gebeurt dit zo? En dat je je dus niet gaat afvragen wat iemand zegt. Als je een paar dingen kunt verstaan dan moet het genoeg zijn. Ik hoop dat mensen snel doorhebben dat de tekst ondergeschikt is aan het beeld.”

Author: Sander Houwen

Share This Post On

Commentaar, vraag, of antwoord? Draag bij!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.