De Nieuwe Consulenten van het Filmfonds: de Smaak van de Octopus?

De bezuinigingen zijn per 1 januari 1213 een feit. Afgelopen januari presenteerde Doreen Boonekamp haar beleidsplan voor het Filmfonds. Ingrijpende veranderingen gaan plaats vinden, waarbij de vervanging van de commissies door consulenten in eerste instantie het meest in het oog valt. Gerefereerd wordt aan het zgn. Deense model. Nieuw is dat niet. Sinds de jaren ‘90 stak dat Deense model af en toe de kop op bij diverse discussies.

Links en rechts vragend wat dat Deense model dan precies inhoudt, krijg ik het gevoel dat de kennis omtrent dit model niet bepaald alom aanwezig is. Daarom lijkt het me een goed idee om te achterhalen bij onze Deense collega’s wat dat systeem nu eigenlijk behelst. Of het bevalt. En: adopteert het Filmfonds het Deense model eigenlijk wel of maakt het er zijn eigen versie van? Wat wordt er gedaan met de ervaring van de Denen?

Het Filmfonds denkt aan 5 à 6 consulenten in totaal. Voor commerciële film, artistieke film, documentaire, animatie en filmisch experiment bij elkaar. De korte film is een ander verhaal. Men is nog aan het schuiven en passen. Zowel qua speelfilm als documentaire zal het per categorie op 2 consulenten neerkomen. De scheiding artistiek en commercieel, zoals die nu met het intendantensysteem bestaat, wordt qua consulenten (niet qua budget) opgeheven. Daarom zoekt het Filmfonds consulenten met een brede expertise. Speelfilmconsulenten met zowel artistieke als commerciële ervaring en kennis van zaken. Zo is het ook zeer waarschijnlijk dat de tweede documentaireconsulent iemand wordt, die tevens consulent van een andere sector is, maar ook over documentaire-expertise beschikt.

 

HET DEENSE MODEL

Het Deense Film Instituut (DFI, totaal budget ruim 38 miljoen euro) kent een strikte scheiding tussen de artistieke sector en de commerciële sector. De artistieke speelfilm heeft 3 commissionars. Één is gefocust op de kinder- en jeugdfilm, de andere twee richten zich op de artistieke film. Verder zijn er drie commissionars voor de korte film en documentaire. Één van die drie is gefocust op de jeugdfilm. Bij elkaar zijn dat er dus al zes voor alleen al de artistieke sector. Even veel als ons Filmfonds in totaal van plan is aan te stellen. Verder kunnen makers te allen tijde indienen.

Een tweede sectie is het ‘talentpool scheme’ (New Danish Screen, budget 3.756.000 euro) met 2 commissionars. Hun benadering is totaal verschillend. Zij richten zich meer op het ontwikkelen van talent. Bij de beoordeling kijkt men meer naar de maker als talent – welke richting gaat hij op en wat heeft hij daarvoor gedaan, dan naar wat het resultaat zal zijn. Dit systeem is er niet in éérste instantie op gericht om de films in distributie te brengen. Soms besluit men een bepaalde film niet in de bioscoop uit te brengen omdat dat het talent niet goed zal doen. Het talentpool scheme wordt geleid door een hoofd en twee redacteuren (op dit moment een scenarioschrijver en een regisseur). Het is meer een redactie, die nadenkt over projecten. De films zijn zeer low budget, de makers hebben extreem veel vrijheid en kunnen veel risico nemen. Ook al omdat ze niet over distributie en MG’s hoeven na te denken.

De derde sectie is het Market scheme voor de echt commerciële films. Hiervoor is een vijfkoppige redactie in het leven geroepen. De beoordeling is gebaseerd op commerciële potentie. Welk publiek denk je te bereiken, hoeveel en wat voor financiering heb je en hoe bankable is je verhaal? Het wordt beoordeeld als een totaalpakket. Als je alle elementen hebt voor een publieksfilm en er wordt verwacht dat je genoeg bioscoopbezoekers trekt, krijg je geld. Inhoudelijke kritiek of feedback gaat alleen over hoe de kwaliteit van je verhaal te verbeteren. Geen artistieke criteria. Van de vijf redacteuren zijn er twee door het Film Instituut ingehuurd. De overige drie komen van de regisseurs-, de producenten- en de distributeursorganisaties. Elke organisatie heeft een lijst van drie leden, waar het filminstituut er een van uitzoekt voor elke zitting. Er zijn vier inleverdata per jaar.

Alles overheersend tijdens mijn gesprekken met de Deense collega’s, is het idee dat persoonlijke smaak en subjectiviteit altijd een grote rol zal blijven spelen bij het beoordelen van een project. En dat het daarom van groot belang is over een grote hoeveelheid commissionars te beschikken.

Martin Strange-Hansen

Regisseur en Oscarwinnaar Martin Strange-Hansen: De neiging om volgens je eigen smaak te oordelen is altijd eminent. Daarom is het echt heel belangrijk dat je verschillende deuren hebt als filmmaker. Dat je van de ene naar één van de andere commissionars kunt gaan!

Sandra Piras (algemeen secretaris Danske Filminstruktorer, de Deense DDG): Het hangt allemaal af van mensen. Wat doet zo iemand en wat voor type is het. Een commissionar kan nee zeggen tegen een project, maar je moet de mogelijkheid hebben voor minimaal een tweede beoordeling. Alle commissionairs zijn maar mensen. Als ze niet appreciëren wat je doet, zou je verder nooit meer een film kunnen maken. Nu kan je altijd nog een tweede of derde poging wagen. Dat is een goed systeem.

 

APPELS EN PEREN

Martin Strange-Hansen: “Het aannemen van een commissoniar is een langdurig proces, waar vertegenwoordigers van alle drie de branche- organisaties over mee beslissen. Tijdens de selectieprocedure wordt er vooral op gelet of het geen mensen zijn, die zich te veel door hun eigen smaak laten leiden. Voor de adviesraad van het DFI (waar wij als regisseursorganisatie dus inzitten) krijgen de sollicitanten een ‘case’. Ze krijgen een actueel project voorgelegd. We kijken naar hoe hij of zij feedback geeft, hoe hij luistert naar de regisseur. Uiteindelijk speelt smaak altijd een rol. Daarom moet je meer deuren hebben. Het is belangrijk dat elke commissionar in zijn eentje moet kunnen beslissen om subsidie te geven. En dat hij dat niet moet verantwoorden aan of overleggen met andere commissionars. Jullie idee in Nederland van twee consulenten die zowel over de artistieke film als de commerciële film beslissen is een heel slecht idee. Je gaat dan toch appels en peren op een hoop gooien, ook al is het budget gescheiden. Het is allemaal zo totaal verschillend. De regisseurs zelf zijn al totaal verschillend. En wat ze willen doen met hun film is ook totaal divers. In Denemarken is die scheiding tussen artistiek en commercieel heel strikt, al sinds de jaren 80. Daar zijn we met zijn allen zeer bewust van. Een artistieke commissionar kan op die manier doen waar hij het beste in is. En hij kan het zo op de beste manier doen. Ze hoeven hier geen octopussen te zijn zoals bij jullie. Als ik een probleem zie in jullie nieuwe structuur dan is het dat vooral. Als je zowel de artistieke film als de commerciële film doet, leidt dat tot aardappelpuree. Er zullen niet de beste consulenten gekozen worden als ze beide sectoren moet doen. Het zullen ‘middle-of-the-roaders’ worden”.

Een commissionar zit er in Denemarken voor hoogstens vijf jaar in totaal. Er is altijd sprake van een overlap. Dus er valt geen gat en er is altijd op zijn minst enige continuïteit. De commissionars brengen de films die ze gesteund willen hebben naar voren. De directie van het DFI beslist uiteindelijk. De directie van het DFI bestaat uit 3 directeuren. Eén is overall directeur; één houdt zich bezig met productieontwikkeling en de derde houdt zich bezig met bioscoopbezoek en marketing. De ‘productie- en ontwikkelingsdirecteur’ is altijd aanwezig bij de vergaderingen, waar de commissionars de projecten, die ze willen ondersteunen, moeten pitchen.

Is die goedkeuring van de directie een formele zaak?

Sandra Piras: Het is een zeer gesloten systeem. We weten niet hoeveel macht een directeur heeft in het afwijzen van de keuze van een commissionar. In ieder geval gebeurt het zelden. Als dat wel het geval zou zijn, zouden de commissionars namelijk een revolutie beginnen. Het is hier geen issue.

Hoe wordt een commissionar aangesteld? Het DFI adverteert in verschillende tijdschriften en kranten. Het management van het instituut beslist samen met de raad. Het bestuur heeft geen zeggenschap. Er is een fictieraad en een documentaireraad. De Deense Filmmakers vakbond heeft net als de producenten en de distributeurs een plaats in ieder van die raden. Ze beslissen dus mee in het aanstellen van deze mensen. Het is niet toegestaan dat het bestuur van het DFI enige filmervaring heeft. Het moet per se een objectief bestuur zijn, zonder belang in de filmindustrie. Ze moeten geïnformeerd worden door de twee raden.

Het Film Instituut is niet gemachtigd zich te bemoeien met een film vlak voordat hij op slot gaat. Maar er is wel sprake van een voortdurende samenwerking. Er is sprake van support schemes, waarin staat wanneer productiemaatschappijen vergaderingen moeten uitroepen, zodat het Fonds een bepaalde versie kan zien. Maar ze hebben er geen stem in. Ze komen om te zien of ze er zeker van te kunnen zijn dat het geld gebruikt is, waarvoor het geld gegeven is. Ze kunnen niets bediscussiëren dat te maken heeft met de artistieke vrijheid van de regisseur.

Kunnen ze acteurs voorstellen?

Sandra Piras: Nee, nee! We hebben vroeger wel commissionars gehad, die tegen regisseurs zeiden: ‘je moet dit of dat of je zou die acteur moeten nemen’. Maar over het algemeen: regisseurs zijn heel verschillend. Nieuwkomers houden veel meer van begeleiding dan ervaren mensen. En één commissionar kan echt heel goed zijn voor een regisseur en echt heel slecht voor een ander. Ik heb zeven jaar geleden zelf een heel grote fout gemaakt. Over een commissionar kregen we heel veel klachten. Ik schreef toen aan alle leden, dat we hadden besloten om in een officiële brief onze klachten over deze persoon te uiten. Ik kreeg toen enkele echt heel boze antwoorden van andere leden. Ze vonden die persoon juist fantastisch. Ze dreigden uit de bond te stappen. Het is heel, heel persoonlijk. Daarom moeten we verschillende deuren hebben en daarom hebben we verschillende commissionars. Zodat dat als je het geld niet op de ene plek krijgt, je ergens anders heen kunt.

 

TALENT IS NIET SYNONIEM AAN JONG; DAT HEB JE JE LEVEN LANG

Het klinkt als een goed systeem.

Sandra Piras: We noemen het het minst slechte. Een totaal eerlijk objectief systeem als het gaat om steun aan kunst is onmogelijk. Wat we hopen te hebben, is dat een commissionar iemand is die de brilliantie, het talent, dat je van binnen hebt, zal ondersteunen. Die zich niet door persoonlijke smaak laat leiden en wat je doet, beïnvloedt. Dat is essentieel voor ons systeem. Dat we weten en onderkennen dat elke commissionar verschillend is en dat ze elk verschillende smaken hebben. Maar dat ze de capaciteit hebben om hun persoonlijke smaak naar de achtergrond schuiven. Als ze dat kunnen heb je de beste commissionars, die je kunt hebben.

Wat doe je als alle commissionars je project hebben afgewezen?

Martin Strange-Hansen: Je kunt het ontwikkelen en revitaliseren. Je kunt het ook geschikt maken voor de talentpool. Want wij zeggen dat talent niet iets is dat je maar voor een paar jaar hebt. Talent is iets, dat als je het hebt, altijd maar doorgaat. Als regisseur kan het nodig zijn om van tijd tot tijd je gezichtsveld of perspectief te veranderen. Dat je iets doet dat compleet nieuw is voor jou. Dat kan in die talentpool.

Dus regisseurs kunnen daar ook terecht als ze pakweg boven de 50 zijn?

Martin Strange-Hansen: Natuurlijk. Talent is niet synoniem aan jong. Je bent niet getalenteerd voor maar een paar jaar. Je hebt het je hele leven lang.

Zijn er nog mogelijkheden buiten het DFI om, om je film te realiseren in Denemarken?

Sandra Piras: Er zijn wel films buiten het DFI om gemaakt. Dogma is een goed voorbeeld. Het DFI zag of kon de potentie van die beweging niet zien. Ze wezen het af. De Publieke Omroep (Denmark Radio en TV2) ondersteunde Dogma wel. Ze geloofden er in, ook omdat Dogma bekend is voor erg goedkope producties. Daarom kon de TV erin stappen met echt heel veel geld. Toen het DFI zag dat het een succes werd, gaven ze marketinggeld. Want het was evident dat het een grote artistieke betekenis had voor Denemarken. Maar het was dus een omroep die de films gefinancierd heeft. De twee publieke omroepen mogen dat. Het is ze toegestaan elk jaar een flink bedrag aan de Deense film uit te geven. Ze kunnen een film volledig financieren als ze dat willen.

Je hebt dus meerdere mogelijkheden?

Sandra Piras: Het is wel al weer een paar jaar geleden dat ik een volledig door TV2 gefinancierde speelfilm zag. Het gebeurt niet vaak, maar het is mogelijk. Een enkele keer zie je een zeer mainstreamfilm gefinancierd uit verschillende bronnen. Een lowbudgetfilm, die plotseling heel populair is. Maar het is moeilijk. De belangrijkste subsidiebron blijft toch het DFI en de publieke omroep.

 

KWESTIE IS NIET ALLEEN JUISTE MAN OP DE JUISTE PLEK

Het beleidsplan van het Filmfonds behelst natuurlijk veel meer dan alleen de aanstelling van commissionars. Het is ondoenlijk om het hele plan te vergelijken met het Deense model. Misschien een schone taak voor anderen. Vandaar dat ik me beperkt heb tot het invoeren van het idee van de consulent. Het Deense verhaal leert dat het beperkte aantal commissionars dat men van plan is aan te stellen en hun taakomschrijving, op zijn minst zorgwekkend is. Zo ook het plan om het idee van specialisten (de huidige intendanten) te verruilen voor consulenten met brede expertise. Dat zo’n allesbepalende persoon aangesteld wordt door het Fonds zelf, een orgaan waar i.t.t. de Denen regisseurs, producenten en distributeurs niet vertegenwoordigd zijn, maakt het er niet beter op. Alle overleg ten spijt. Het is niet alleen een kwestie van de juiste man/vrouw op de juiste plek, zoals hier en daar te beluisteren valt. Ondanks de brede expertise. Want juist die keuze voor brede expertise zou wel eens een groot probleem kunnen blijken te zijn.

Author: DDG

Share This Post On

Commentaar, vraag, of antwoord? Draag bij!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe jouw reactie gegevens worden verwerkt.