Interviews met bestuursleden: Stella van Voorst van Beest

Stella van Voorst zit bijna drie jaar in het bestuur. Ze vertelt over de relatie tussen producent en regisseur, de inkomenspositie van filmmakers, het eenpitters-probleem en over haar eigen film die gaat over eenzaamheid.

Hoe kwam je in het bestuur terecht?

Ditteke Mensink was al zes jaar bestuurslid. Ze zochten iemand die haar taken over kon nemen. Zij behartigde vooral de belangen van de documentairemakers en was vice-voorzitter. En nu doe ik dat. De DDG is een ledenclub die bestaat uit een kleine groep en ik zie het als een soort corvee. In het bestuur hebben we allemaal onze specialismen, want daarin heb je het beste netwerk. Ik heb er op het gebied van documentaire twee mensen bij gevraagd: Thomas Vroege en Tessa Boerman. We zijn – als het om documentaire gaat – officieel met zijn drieën en voor speelfilm zitten er nu twee mensen in het bestuur: Thomas Korthals Altes en Jelle Nesna. Prosper de Roos vertegenwoordigt de radiomakers.

Ik vind het heel gek om in een kamertje te beslissen of te bedenken wat mensen nodig hebben. Toen heb ik bedacht om een achterban in te schakelen in de vorm van een focusgroep. Nu zijn die er voor documentaire en fictie. Dat vond ik belangrijk omdat er toch regelmatig mensen zijn die klagen dat het onduidelijk is wat de DDG nu precies doet. En ik vind het fijn om samen met een clubje mensen die lid zijn te overleggen over wat er speelt en wat de leden nodig hebben. Dat vind ik een prettige manier van werken en het leek me goed om dat uit te breiden. Ik hoop ook dat leden wat vaker de telefoon pakken of een mailtje sturen zodat er veel meer uitwisseling ontstaat en je dus weet wat er onder de leden leeft. Ik denk dat dat voor een belangenvereniging heel goed is. Het is zonde als er mensen met problemen zijn die geen gebruik maken van de kennis die er onder de leden aanwezig is.

Afgelopen jaar zijn we bezig geweest om de relatie tussen producenten en regisseurs te verbeteren, want dat is heel belangrijk. Denk aan de avonden over het lezen van begrotingen, maar ook aan het contact dat er is tussen de DDG en DPN. Ik denk dat het goed is dat als er iets mis gaat in de samenwerking met een producent, dat leden dat ook melden. Niet omdat wij een soort zwartboek bijhouden, maar wel omdat de DDG op die manier de informatie die er is over producenten – of andere betrokkenen binnen het productieproces – binnenkrijgt. Dan kunnen we aan de bel trekken als we patronen zien, of aankloppen bij de DPN. We kunnen mensen advies geven of meedenken over een oplossing. Of we kunnen adviseren: bel die, want die heeft daar ervaring mee. Bij alles wat er bij een maker kan spelen zeg ik: hou het niet voor jezelf. Kijk of je meer mensen kunt vinden die daar mee bezig zijn. Ik denk dat dat iets op kan leveren. Als je dat in je eentje doet is dat lastiger. Wij zijn geen vakbond, maar je kunt een aantal zaken best wat georganiseerder aanpakken.

Een tweede thema waar ik me mee bezighoud is het verbeteren van het inkomen van regisseurs. Daar zijn we de afgelopen jaren mee bezig geweest en dat heeft al best wat opgeleverd. En ik denk dat het nu tijd is om dat ook door te zetten en daar achteraan te blijven gaan. Dus dat je niet altijd met een verkapte lump sum op de begroting staat. Het lage inkomen is voor de hele kunstenwereld een ding. Kunstenaars worden vaak helemaal niet betaald. Het geldt binnen de film niet specifiek voor documentairemakers, ook fictiemakers hebben er mee te maken, dus alle betrokkenen binnen de DDG hebben aandacht voor dat probleem. Toen wij vorig jaar op een bijeenkomst van de documentairesector de inkomstencijfers van de gemiddelde documentaireregisseur presenteerden, vond ik het meest schokkende dat niemand geschokt was. Iedereen zei: dat zien we al jaren en we vragen ons ook al jaren af hoe dat eigenlijk kan. Dus de sector weet allang dat dat zo is. En er gebeurt pas iets als je gaat zeggen dat we het nu echt genoeg vinden. Je kan iets veranderen, maar je moet het benoemen en je moet heel duidelijk zeggen: dit gaan we niet meer zo doen. En dat is nu enigszins in beweging gezet en het is belangrijk dat het niet blijft hangen. We moeten daarop blijven aandringen en erover blijven praten met fondsen, producenten, eindredacteuren en iedereen die daarbij betrokken is.

Is er progressie?

Er zit in zoverre beweging in dat er extra geld is toegezegd. Dat geld is vrijgekomen bij de omroepen doordat er minder films gemaakt worden, maar wel met hogere budgetten. Maar dat is nog een mystiek ding, want er is een bedrag van maximaal 5.000 euro, die een ervaren regisseur die een grotere film maakt – met niet alleen geld van de NPO maar ook een bijdrage van het Filmfonds – extra op de begroting kan zetten. Dat is dan onderdeel van de productiebegroting en dat kan als een soort van research opgevoerd worden omdat je als regisseur die tijd altijd zelf investeert. Dat bedrag is wel al toegezegd, maar er is nog heel veel onduidelijkheid over in welke vorm dat gegoten kan worden, dus daar zitten we nog achteraan. Ik denk dat er sowieso anders begroot moet worden. Heel veel begrotingen zijn standaard en die staan los van wat voor soort film je maakt. Soms heb je iets meer draaidagen, maar rechtsom of linksom kom je dan toch ongeveer op hetzelfde bedrag uit. Ik vind dat de begroting dan hoger uit moet vallen, want nu is het werk van de regisseur vaak de sluitpost. Als er meer montagedagen zijn dan begroot, dan investeert de regisseur die tijd zonder dat er iets tegenover staat. Ik vind dat daar een keer serieus over gepraat moet worden.

Op de avond over begrotingen afgelopen november kwam er een prachtig recoupmentschema voorbij waarbij zowel de producent als de regisseur ergens onderaan bungelden. Maar er zit nog wel een deferment-laag tussen waar de producent de gemaakte kosten kan opvoeren. Daar zou je als regisseur toch beter in terug moeten komen. Zou het niet logisch zijn als de regisseur daar extra geïnvesteerde tijd kan opvoeren die niet uit de onvoorzien bekostigd wordt? Bijvoorbeeld als de montage uitloopt?

Ik zag die avond vier of vijf lagen boven elkaar.

Vier of vijf lagen inderdaad. Dan moet je een zeer winstgevende film hebben wil je er als regisseur aan het eind nog iets aan overhouden. Maar er zit wel een laag tussen waarin je – in ieder geval als producent – nog de kosten kan invoeren die echt gemaakt zijn voor die film. Als regisseur investeer je zoveel extra tijd; dat moet in elk geval ergens op een begroting staan. Al staat erbij dat je het niet betaald hebt gekregen. Dat zou al schelen.

Wanneer is er een acceptabele basis bereikt?

Ik denk allereerst dat het fijn is als het probleem erkend wordt. Het is niet zo dat regisseurs denken dat ze elk uur dat ze werken ook uitbetaald moeten krijgen, want dan krijg je begrotingen die – naar Deens model – zeven ton zijn. Ik denk dat je dat met alleen Nederlands geld niet bij elkaar krijgt. Ik zou het al fijn vinden als er gewoon iets realistischer begroot werd. En dan kan je alsnog zeggen: achttien weken montage gaan we niet halen, maar dan weet je in ieder geval dat je er vier hebt die je dan zelf investeert. Het is al een eerste stap als begrotingen sowieso iets omhoog gaan. De regisseur heeft soms de laagste dagprijs en krijgt uiteindelijk de minste dagen betaald. Bovendien staat die dagprijs al jaren min of meer vast. Een ervaren regisseur die zijn sporen meer dan verdiend heeft, verdient na twintig jaar misschien vijftig of vijfenzeventig euro meer dan een regisseur die net van een academie komt. Dat is gewoon gek. Het is een vanzelfsprekendheid; net als in de kunst. Mensen denken: maar je vindt het toch ook leuk om dit te doen? Je hebt dadelijk gewoon een film. Je hebt niet alles betaald gekregen, maar ja… je hebt wel een film.

Leuk voor je portfolio.

Ja, dat wordt ook vaak gezegd. Of ze zeggen: ja, als we elke dag dat een regisseur aan een film werkt gaan betalen, dan wordt de begroting veel te hoog. Ik zat laatst met een crewlid in de auto terug naar huis en die had een draaidag die in optie stond en die was te laat afgezegd. Dus die kreeg gewoon een halve dag betaald. Dan heb je een heel andere positie. Je bent als regisseur de artistiek leider, maar tegelijkertijd sta je qua betaling onderaan de ladder. Dat is gek. Dat is hoe mensen naar kunstenaars en filmers kijken.

Is dat altijd al zo geweest?

Dat weet ik niet. Ik denk dat er wel een enorme vanzelfsprekendheid in zit van: jij wordt wel slecht betaald, maar jij hebt dadelijk een film. Alsof je daarmee ook uitbetaald wordt. Kijk, een crew huur je in. Maar jij bent samen met je producent de risiconemer. Omdat je vaak een aantal jaar met een film bezig bent of misschien maak je er twee in die tijd, ben je veel kwetsbaarder. Producenten hebben het ook niet breed vaak, maar die werken meestal aan meerdere films per jaar. Dus het is goed om gezamenlijk te blijven hameren op het verbeteren van de inkomenspositie van de regisseur. Als je wil dat er iets verandert, dan zul je toch steeds je stem moeten laten horen; bij zowel fondsen als producenten. Ik verbaas me er soms over dat er – ook bij gerenommeerde producenten – over een filmplan een begrotingsmal gelegd wordt met het kostenplaatje van een gemiddelde film. Ik vind dat dat te makkelijk gebeurt. Ik zou weleens een modelbegroting willen maken voor regisseurs, met een gemiddelde documentaire als uitgangspunt. Met posten erop waar producenten niet zo snel aan denken. Als je bijvoorbeeld een film hebt gedraaid en je moet het materiaal spotten ben je daar vaak dagen zoet mee. Vaak staat dat niet op de begroting, terwijl je het niet aan je editor kunt overlaten; want je moet ook zelf je materiaal kennen. Hetzelfde geldt voor researchdagen, vaak acht of tien. De meeste regisseurs zijn er veel meer tijd mee kwijt, zelfs als ze met een researcher werken. Dus ik zou het weleens interessant vinden om een reële begroting te maken om eens te kijken hoe hoog die dan uitkomt. Dat lijkt me een leuk experiment. We werken best goed samen met de DPN en ik vind het belangrijk om hen ook vaker bij dit soort issues te betrekken. Omdat zij best welwillend zijn en we elkaar ook nodig hebben. Zij stellen de begroting op, dus waarom zouden we niet wat meer met hen ook dit soort dingen bespreken. Omdat het NPO-fonds nog vrij nieuw is en nog allerlei zaken aan het uitzoeken is, is dit het moment om deze issues bij hen onder de aandacht te brengen. En dat doe ik ook wel. Ze staan er ook voor open, dus dat is heel fijn.

Wat is het eenpitters-probleem?

Er zijn mensen die ervoor hebben gekozen om zelf hun films te produceren. Soms is dat omdat ze slechte ervaringen hebben met producenten en denken: dat kan ik zelf beter en dan heb ik dat gestress niet. Een andere reden is dat mensen zeggen te weinig te verdienen als ze met een producent werken. En, zo is hun redenering, door alles zelf te doen hebben ze nog een beetje een inkomen en kunnen ze ervan leven. Een kleine groep heeft nog een derde reden om niet met een producent te werken en dat is artistieke vrijheid. Nu is er een aantal mensen dat dat op een heel goede manier doet. Petra en Peter Lataster bijvoorbeeld en ook de mensen die zich in de Docmakers hebben verenigd, zoals onder andere Suzanne Raes en Aliona van der Horst. Dat zijn eenpitters omdat ze ook zelf produceren. Het is niet zo dat ze alles zelf doen, want ze hebben er iemand bij die een soort producentenrol, een zakelijke rol op zich neemt. Dus het is geen producent in de klassieke zin, het is geen bedrijf.

Daarnaast heb je mensen die dat ook doen en die dat minder goed doen. Daar krijgen omroepen enorme hoofdpijn van. Zij komen wel met een prachtig onderwerp, willen dat vervolgens zelf produceren, maar leveren de film te laat op, maken er financieel een zooitje van of hebben er zelf geldschieters bijgehaald die vanwege de mediawet helemaal niet mogen meefinancieren. Omroepen en eindredacteuren hebben daar last van, dus die willen daar het liefst van af. Ik vind dat lastig, want je hebt ook producenten die niet zo goed zijn. Je hebt ook regisseurs die wél met een producent werken en toch ook laat leveren. Dus ik vind de argumenten die worden aangevoerd niet heel erg consequent of in elk geval niet van toepassing op iedereen. Dat ze helemaal geen eenpitters meer willen, dat gaat mij wat te ver. Er zijn heel veel producenten die voorheen maker waren en toen zelf zijn gaan produceren en dat nog steeds doen. Andersom heb je ook producenten die films gaan maken. Het loopt al door elkaar. Alles zit nu zo in protocollen en in regels. Af en toe word je daar een beetje ongelukkig van.

Tot slot heb je de angst van omroepen en fondsen dat er een versnipperd landschap van producenten ontstaat. Op die manier zijn de producenten ontzettend kwetsbaar. Een kleine producent die een paar films per jaar doet, moet ook maar zijn hoofd boven water zien te houden. Je zit toch allemaal in dezelfde vijver te vissen. Het idee is dat als er een paar grotere producenten zijn, en dan spreek ik over de documentaireproducenten, en er zijn enkele krachtige productiehuizen, dat dat beter zou zijn voor de documentairesector. Dat je meer continuïteit hebt, dat je regisseurs meer zekerheid kunt bieden door ze na het voltooien van een productie meteen door kunt laten stromen naar een volgende film. De omroepen en fondsen vinden dat een fijn idee.

Deel jij de zorg over eenpitters?

Ik denk dat je goeie en slechte eenpitters hebt, zoals je ook goeie en slechte producenten hebt. Als iemand mooie films maakt en die doet dat in zijn eentje, waarom zou iemand dan anders moeten werken? Niet iedereen past in hetzelfde systeem. Dus ik ben voor diversiteit, zowel in soorten makers als in soorten producenten.

En wat is de oplossing?

Je zou voorwaarden kunnen stellen. Dat als je een internationale productie maakt met heel veel geld, dat je er dan een producent bij moet hebben. Maar als iemand kan aantonen dat die in staat is om een productie te dragen, dat dat ook gewoon kan. Dat zie je op een gegeven moment wel bij mensen. Zoals de Latasters, die maken de ene mooie film na de andere. Dan ga je toch niet zeggen: op die manier mogen jullie niet meer produceren. En dan met een producent die er een potje van maakt wel gewoon in zee gaan. Ik weet de oplossing niet, maar enige flexibiliteit hanteren en afgaan op een trackrecord, dat moet toch kunnen.

Waar ben je zelf mee bezig?

Ik ben een documentaire aan het maken over een wijk in Rotterdam waar vorig jaar een campagne tegen eenzaamheid is gestart. En ik volg wat die campagne teweegbrengt. En ook probeer ik vast te leggen wat eenzaamheid dan eigenlijk is en hoe je dat in beeld kunt brengen. Het gaat over sociale cohesie en over hoe mensen samenleven.

En hoe kwam je hierbij?

Ik kom oorspronkelijk uit Rotterdam, dus ik heb affiniteit met die stad. Op een gegeven moment stond er een artikel over Bep de Bruin in de krant [november 2013], een vrouw die tien jaar dood in haar huis had gelegen. En dat vond ik heftig, maar ik vond het vooral interessant hoe de mensen in de straat daarop reageerden en hoe zij zich excuseerden voor het feit dat ze niets hadden gedaan. Hoe kan het dat je naast elkaar woont en ieder op zijn eigen manier een beetje langs elkaar heen leeft. Dus dat was de trigger. En dat verhaal was voor Rotterdam aanleiding om die campagne te starten, met als insteek dat dit nooit meer mag gebeuren. In 2013 heb ik dat artikel uitgeknipt. Ik wilde daar iets mee, maar wist nog niet wat. Toen de campagne kwam vond ik dat een mooie, concrete aanleiding om de film te gaan maken. Toen heb ik een a4-tje geschreven en heb ik eerst geprobeerd om er een Teledoc van te maken, want ik dacht: dit is typisch een Teledoc. Maar het was geen Teledoc.

Waarom was het geen Teledoc?

Teledoc is voor mij een soort geheime cocktail van dingen waar ik maar steeds niet achter kom. Ik weet wat erin moet voor een Teledoc en iedere keer denk ik: dit is er een. En dan zeggen anderen: ‘nee hoor, dit is geen Teledoc’. Dus het recept heb ik nog steeds niet helemaal.

 

Je weet ook niet waarom het geen Teledoc is?

Nou, ik denk omdat een Teledoc – hoewel ik dat toch echt van plan ben in deze film – een dramatische lijn moet hebben en bij voorkeur één hoofdpersoon nodig heeft. En het moet een publieksfilm worden die op primetime kan worden uitgezonden. Toen heb ik een producent benaderd. En die – Simone van den Broek van Basalt Film – bleek toevallig ook al een tijdje dat artikel over Bep de Bruin op haar bureau te hebben liggen en zo is het gaan lopen. Vervolgens hebben we naar een ontwikkelingsaanvraag toegewerkt en daarna een productieaanvraag gedaan. En nu is het dan ineens zover dat ik ‘m aan het maken ben. Sinds een jaar draai ik af en toe een dag en in deze periode vaker. Het is niet een film die je in een korte tijd draait. Je wil mensen bij dit onderwerp toch over een langere tijd volgen. Ik hoop in het vroege voorjaar klaar te zijn.

Wat voor soort film wordt het?

Waar ik naar streef is dat het enerzijds een dramatische vertelling wordt. Dus een film waarin je meegesleept wordt. Je kunt natuurlijk een mooi sociaal maatschappelijk drama maken en dat wordt dit ook, maar ik wil daarnaast dat het een poëtische vertelling wordt en dat er een zekere mate van abstractie in zit. Ik heb nog nooit een echte dramafilm gemaakt. Ik maak altijd mozaïekfilms of essay-achtige dingen. En dit is een soort nieuw element dat ik interessant vind om te onderzoeken, om te kijken hoe ik dat zou maken. Maar ik wil ook niet alles overboord gooien wat ik hiervoor deed: films die vooral beeldend vertellen. Dus ik probeer beide te combineren. Dat wordt nog spannend. Ik ben benieuwd hoe ik dat ga doen. Het klinkt misschien een beetje bot, maar ik vind veel verhalen die helemaal af zijn vaak een beetje saai. Misschien ervaar ik dat eerder bij fictie dan bij documentaire, maar toch. Het voelt vaak geforceerd aan, omdat je de in het filmplan bedachte structuur zo sterk voelt. Dan denk ik: weer zo’n verhaal. Waarom? Wat is de noodzaak om dat te vertellen? Maar ja, een goede film maken is nu eenmaal heel erg moeilijk. Dus voor mij is het nu een uitdaging om te kijken hoe ik dat zelf ga doen, een dramatische vertelling maken.

En de personages?

Ik wil drie personages in beeld brengen die onder de noemer ‘eenzaam’ vallen. Daar heb ik er nu twee van. En er komen nog twee bij-personages bij. De drijvende kracht in de film zijn twee vrijwilligers, twee buurvrouwen. Zij loodsen ons door de wijk. Door de campagne zijn zij opgeroepen om actief te worden. Zij waren altijd al met ouderen bezig en zijn de energie in de film. De hele campagne begon met dat mensen opgeroepen werden om voor de gemeente 75-plus-huisbezoeken af te leggen. De vraag was of ze dan langs huizen gaan waar 75-plussers wonen om in kaart te brengen hoe hun sociale netwerk eruitziet en daar waar nodig extra hulp te bieden; als iemand zwaar vereenzaamd is bijvoorbeeld. En die twee buurvrouwen hebben daar aan meegedaan.

Heb je genoeg drama?

Soms gebeurt er heel veel doordat iemand een ontboezeming doet. En op die manier kom je heel dicht bij de mensen. Het zijn oudere mensen, dus er kan van alles gebeuren nog. Ze kunnen ziek worden of doodgaan of er staat ineens een verloren familielid op de stoep. Of ze moeten gedwongen verhuizen. Dat is nog niet gebeurd, maar dat zou kunnen. Ik probeer hun kleine wereld in de film heel groot te maken en dan ligt het drama vooral in kleine gebeurtenissen. Of in geen gebeurtenissen.

Als er na maart nog dingen dreigen te gebeuren die belangrijk zijn voor de film, dan draai je nog even door?

Daar willen we nog wel een paar dagen voor achter de hand houden.

Daar is budget voor?

Dat weet je nooit. Maar ik heb een hele fijne producent.

En als er aan het eind iets over is dan weten ze je te vinden?

Dan weten ze me wel te vinden ja. Dat weet ik zeker.

Author: Sander Houwen

Share This Post On

Commentaar, vraag, of antwoord? Draag bij!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe jouw reactie gegevens worden verwerkt.