Interviews met bestuursleden: Maarten Treurniet

Maarten Treurniet is tijdens de algemene ledenvergadering van april officieel geïnstalleerd als nieuwe voorzitter van de DDG. Hij volgt Martijn Winkler op, die de afgelopen vijf jaar aan het hoofd van het bestuur stond. Deel uitmaken van een bestuur is Maarten niet vreemd; hij zat negen jaar in het bestuur van de VEVAM, daarvan was hij de laatste zes jaar voorzitter. In die rol zette hij zich onder andere in voor een eerlijkere verdeling van auteursrechten en de lobby voor de nieuwe auteurswet, die binnenkort wordt geëvalueerd.

Maarten begon zijn loopbaan ooit met het live mixen en het opnemen van geluid. ‘Daar bleek ik talent voor te hebben. Dus ik werd al heel jong gevraagd om in studio’s te komen werken en muziek op te nemen. Ik deed het geluid bij onder andere Hauser Orkater. Toen deze groep opgesplitst werd in De Horde en De Mexicaanse Hond kwam ik bij De Horde terecht. Ik verzorgde het live geluid en maakte af en toe muziek met hen. Ook heb ik voor Orkater een studio gebouwd. Daarna heb ik lang gewerkt bij Studio 150, in Wisseloord en in heel veel studio’s in Nederland. Uiteindelijk ben ik in 1986 naar de Filmacademie gegaan.’

Was voor jou de keuze snel gemaakt toen je gevraagd werd om voorzitter te worden van de DDG?

‘Het is nu een heel spannende tijd vanwege de ontwikkelingen bij het Filmfonds, de contacten met de politiek en alles wat er te doen is rondom de arbeidsmarktagenda. Ik wil proberen de DDG te professionaliseren en het voorzitterschap te vergemakkelijken. Als er een directeur is en een goed werkend bureau, dan hoeft de voorzitter niet zo veel meer te doen. Op dit moment kost het mij twee dagen in de week en waarschijnlijk meer. En het is vrijwel onbetaald, dus ik kan het eigenlijk niet lang volhouden op deze manier en daar is iedereen het over eens. Dus die professionaliseringsslag wil iedereen wel maken. Verder zou ik samen willen gaan met het Netwerk Scenarioschrijvers en ACT. Ik zou er graag één organisatie van maken; ‘MakersNL’, met een professionele bezetting en besturen.’

De filmwereld lijkt steeds harder te worden. Is dat zo?

‘Ik wil toe naar een ander model. Iedereen is zo snel op zijn teentjes getrapt en zo snel heeft men het idee dat hun macht wordt ingeperkt of iets wordt afgenomen. Daar wil ik graag van af. Het is wel duidelijk nu dat de producenten daar ook van af willen. Ik wil het vertrouwen in de driehoek proberen te herstellen. Ik ben met allerlei gesprekken bezig om dat voor elkaar te krijgen.

De FERA (Federation of European Film Directors) is de Europese DDG. Ik pleit voor een soort Europese overkoepelende variant waarin alle auteursrechthebbenden verenigd worden, zodat niet alleen schrijvers en regisseurs, maar ook cameramensen, art directors, editors en eventueel ook producenten zich aan kunnen sluiten. Op die manier bundel je de krachten en sta je sterker tegenover partijen als Netflix en Liberty Global.

De DDG mag als vereniging geen minimumtarieven afspreken omdat de leden grotendeels zelfstandig ondernemers zijn. Wij mogen dus geen cao-afspraken maken met bijvoorbeeld de omroepen. De ACM (Autoriteit Consument en Markt) zegt dat je een kartel vormt zodra je prijsafspraken wil maken voor zzp’ers. Het kartel wordt echter gevormd door partijen als de RODAP (Rechtenoverleg voor Distributie van Audiovisuele Producties). In RODAP zitten alle kabelmaatschappijen samen met alle producenten en alle omroepen. Dat is eigenlijk een onwenselijke situatie want nu zitten de partijen die geld verstrekken in één organisatie met een gedeelte van de ontvangende partijen. Onderhandelen over de hoogte van de vergoedingen is dan bijna onmogelijk. Dat de producenten zich hebben aangesloten bij RODAP heeft een breuk veroorzaakt in het vertrouwen tussen makers en producenten. Ineens kwamen wij als makers in de rechtszaal tegenover onze natuurlijke partners, de producenten, te staan.

Er wordt 1,6 miljard verdiend met het doorgeven van content via de kabel. Dat bedrag is nog hoger als je internet ook meerekent, omdat het internet de rol van de kabel gedeeltelijk aan het overnemen is. Maar wat doet een bedrijf als Ziggo daar nu eigenlijk voor? Ze geven iets door wat iemand anders maakt en vragen daar abonnementsgeld voor. Maar daarvan kwam tot een paar jaar geleden hoegenaamd niets bij de makers terecht. Voor Ziggo is dat een ideaal verdienmodel, maar nadelig voor de makers. Met behulp van VEVAM en via allerlei rechtszaken en een veranderde auteurswet is er nu een deal tussen RODAP en de makers, maar die deal loopt binnenkort alweer af. Daar moet opnieuw over onderhandeld worden en dat gaat tegelijk met de nu net aangenomen nieuwe Europese richtlijn (AVMSD) waardoor de gehele auteurswet wellicht weer herzien moet worden. Het is een strijd die in alle landen om ons heen gevoerd wordt.

En dan ligt daar nog de vraag hoe je omgaat met een partij als Netflix. De Denen zeggen: wanneer wij als makers al onze rechten bij voorbaat moeten overdragen aan Netflix, dan zijn er uiteindelijk minder inkomsten en moet Netflix een hoger honorarium betalen aan de makers. Netflix weigert inzage te geven in kijkgedrag. Hierdoor wordt het onmogelijk om na te kunnen gaan wie waarnaar gekeken heeft. Op die manier is het zeer ingewikkeld om te bepalen welke maker recht heeft op welk geld.

Er zijn allerlei manieren om Netflix te dwingen Europese of Nederlandse producties te gaan maken. Maar als ze een Nederlandse productie maken en ze willen alle rechten hebben, inclusief de rechten voor doorgifte, dan vind ik ook dat ze daar meer voor moeten betalen. Uiteindelijk verdwijnt al hun winst naar de aandeelhouders in het buitenland. Verschillende landen hebben verschillende meningen over hoe je dat kunt veranderen. In Nederland gaan stemmen op die zeggen dat er een verplicht percentage van Netflix-content Nederlands moet zijn en een verplicht percentage in Nederland geproduceerd moet worden. Dat klinkt leuk, ware het niet dat Netflix graag voor een dubbeltje op de eerste rij zit. Omdat je als makers niets verdient voor de doorgifte, moet je het bij de bron verdienen; dus bij het maken. Kortom: veel politiek getouwtrek en veel mensen die niet precies weten hoe het zit.’

Vind je het belangrijk dat de leden van de DDG begrijpen waar de auteursrechtenstrijd om draait en wat er op de achtergrond allemaal gebeurt?

‘Als mensen zich erin willen verdiepen dan googelen ze wel. Maar ik zou dolgraag wat actievere leden willen hebben. Dat begint te komen nu mensen door beginnen te krijgen hoe belangrijk het is dat we met zijn allen een politieke agenda hebben. Ons filmmakersinitiatief en het symposium heeft al veel gedaan op dat gebied. Martijn is zes jaar voorzitter geweest van de DDG en hij heeft zes jaar voor hetzelfde gevochten. Ook daar is nu veel waardering voor gekomen. De leden vinden de DDG steeds belangrijker worden en ik wil daar nog een slag in maken. Bijvoorbeeld door het oprichten van een juridische afdeling, zodat je als DDG-lid werkelijk beschikt over juridische hulp. Een van mijn dromen is een contractenbureau zoals de Lira dat heeft. Zo’n bureau zorgt namens de regisseurs voor het opstellen van een contract en onderhandelt tevens over het honorarium. Het grote voordeel daarvan is dat je geen vakbond meer nodig hebt. Stel dat de honderd belangrijkste regisseurs van Nederland zich laten vertegenwoordigen door het contractenbureau en Netflix wil een regisseur onder de prijs inhuren, dan kan het contractenbureau dat voorkomen door Netflix te laten weten dat we dat niet gaan doen. Dan heb je macht. En dan is het niet zo dat zij denken: voor jou tien anderen.’

En als regisseurs buiten het contractenbureau om toch gewoon die klussen aannemen?

‘Ja, dat zal altijd kunnen. Maar ik wil wel proberen om daar met de regisseurs die zich aangesloten hebben bij de DDG afspraken over te maken. En dat als je die afspraken nakomt, en lid bent van de DDG, je daar voordeel van hebt. Een van die voordelen is dan natuurlijk dat je dan wat meer verdient. Want het contractenbureau hanteert marktconforme prijzen. Ik denk dat dat voor iedereen beter gaat werken. Op die manier krijgt de DDG vanzelf meer leden die zich hard maken voor eerlijke vergoedingen. Ik hoop dat men snapt dat het in het belang van iedereen is dat ze niet onder de prijs gaan werken. Er moet een moreel appel op deze mensen worden gedaan. In België is het zo dat als een regisseur er niet uitkomt bij een productie en van die productie afgehaald wordt of zelf uit het project stapt, een andere regisseur niet zomaar die rol over kan nemen. Er zijn daar ongeschreven regels die zeggen dat je moet bellen met degene die weggegaan is en moet uitvinden waarom dat is gebeurd. Dat zou hier ook gangbaar moeten zijn.

Toen ik zelf een tijd geleden een televisieserie gedaan had en gevraagd werd voor het tweede seizoen ben ik eens uit gaan rekenen wat ik per dag verdiende. Dat bleek minder te zijn dan de cameraman. Toen heb ik tegen de producent gezegd dat ik dat niet vond kunnen. Ik vind dat ik dan namelijk niet de baas kan zijn op een set. Als de cameraman meer verdient, dan moet je hem de baas maken. De producent gaf aan dat hij er niets aan kon doen. Het is maar waar je prioriteit ligt, denk ik dan. Ik heb hem duidelijk gemaakt dat ik het voor dat bedrag niet kon doen. Vervolgens heeft een andere regisseur de serie geregisseerd. Deze regisseur wist dat ik van de productie was afgegaan, maar heeft mij er niet over opgebeld om te vragen waarom dat was.

Als je met alle regisseurs een afspraak maakt over onder welke voorwaarden je een film maakt, dan zal die producent moeten zorgen voor een redelijke vergoeding. Dan moet hij of zij een andere oplossing zoeken voor scheve inkomensverhoudingen. Uit mijn zak moet dat niet komen, vind ik. Veel Nederlandse regisseurs zijn zo consciëntieus; die willen zo graag iets moois maken dat daar misbruik van gemaakt wordt. Ook anderen zijn met dit thema bezig. Journalisten bijvoorbeeld. Iedereen wil wel een stukje in de krant schrijven. Per woord is de vergoeding heel laag. Ik hoorde laatst hoeveel en het was een belachelijk bedrag. Ook van de goede wil van journalisten wordt misbruik gemaakt.’

Denk je er weleens over na om de organisatie nog breder te maken?

‘We hebben onlangs een gesprek gehad met de FPN (Filmproducenten Nederland). Zij willen samen gaan met onder andere de DPN (Documentaire Producenten Nederland) en de VNAP (Vereniging van Nederlandse Animatieproducenten). Ze willen een federatie gaan vormen om op die manier meer slagkracht en invloed te hebben. Ik vind het raar dat we als DDG bij de NPO moeten bedelen om gesprekken te mogen voeren. Stel dat we allemaal verenigd zouden zijn in een grote federatie, dan zou het toch heel normaal zijn om twee keer per jaar een groot overleg met de NPO te hebben over de gang van zaken. Nu kom je er bijna niet aan tafel. De NPO is van mening dat je niet met iedereen om de tafel kunt gaan zitten, omdat er zoveel organisaties zijn. Dus het is in ons aller belang dat we dat gaan stroomlijnen.’

Zijn er nog meer organisaties die aan kunnen sluiten?

‘Ik vind dat cameramensen bij de cbo’s moeten komen. Wat mij betreft bij VEVAM. Op die manier kunnen zij hun auteursrechten ook doen gelden in de toekomst. Hetzelfde geldt voor de editors, die staan dichtbij de regisseurs. Maar ook art directors horen bij de regisseurs. Ik vind dat VEVAM zich moet uitbreiden met de leden van deze disciplines. Ik zit niet in het bestuur van VEVAM, maar ik heb het wel voorgesteld. Zij hebben daar wel oren naar, mits het de regisseurs binnen VEVAM geen geld kost. Zolang er maar een groter deel van de koek hun kant uit komt. Anders moet je alleen maar de bestaande koek verdelen over meer mensen en dat is niet wenselijk.

Omdat ik al een tijd als regisseur actief ben en in verschillende organisaties zit, is het voor mij inmiddels wat makkelijker geworden om alle ins en outs van de filmwereld te doorgronden. Er zijn er meer natuurlijk die allang in dit wereldje zitten en die groep wordt steeds groter. Daar ben ik wel blij om. Esmé Lammers doet hartstikke goed werk met haar site [www.filmzaken.com]. En er zijn veel meer mensen bewust met het werkveld bezig. Jean van de Velde, Sytske Kok, Pieter Bart Korthuis en Franky Ribbens bij de schrijvers, Gijs Scholten van Aschat, Gonny Gakeer en Reinout Bussmaker bij de acteurs en ook Anna Drijver, een heel bevlogen iemand als het gaat om rechten en organisaties. Zij zijn zich allemaal zeer bewust van de situatie. Het helpt enorm als er zulke mensen zijn.

Verder denk ik dat het goed is als er op de Filmacademie een vak gegeven wordt over het huidige filmlandschap. De DDG geeft elk jaar een dag voorlichting, maar daar valt altijd iedereen in slaap. Dat wil ik met de DDG gaan uitbreiden. Je moet dat bevlogen gaan vertellen. Als je aankondigt dat het alleen over auteursrechten gaat, komt er geen student op af. Het is van essentieel belang dat je weet hoe de kunst- en cultuursector werkt.’

De enquête en het symposium, hoe kijk je daarop terug?

‘Er zijn veel mensen naar het symposium gekomen en de reacties die we gehad hebben vind ik geweldig. Makers hebben heel goed begrepen wat onze inzet was. Laten we nou eerst eens de hand in eigen boezem steken voordat we gaan klagen en naar anderen gaan wijzen. Dat heeft zoveel respons en energie opgeleverd bij iedereen, dat we daar een vervolg aan gaan geven. We gaan nu samen met producenten een bijeenkomst organiseren, een soort voorjaarsoverleg. En ik wil proberen op het Nederlands Filmfestival tijdens NFF Extended een symposium te organiseren over wat kwaliteit nou werkelijk inhoudt. Wanneer heeft iets kwaliteit? Ik wil graag bevlogen makers uit het buitenland hiernaartoe halen om te kijken of we dat voor elkaar kunnen krijgen. Om daar echt iets interessants van te maken. En dat is sectorbreed, dus ook voor producenten.

We willen eigenlijk allemaal hetzelfde. We willen allemaal betere films. We willen allemaal af van het managementsysteem, zoals dat nu bij de omroep en bij het Filmfonds bestaat. We willen een meer creatieve koers gaan varen. Wij als filmmakersinitiatief willen het liefst een artistiek directeur bij het Filmfonds. Daar maken we ons hard voor. De FPN wil hetzelfde en dat vind ik geweldig. Nu hebben we eindelijk de neuzen dezelfde kant op. Nu moet het gebeuren.’

En heb je op een rijtje wat de doelen zijn?

‘Wat we nodig hebben zijn mensen met een wat groter hart voor creativiteit. Ons vak wordt nu als een soort ambacht gezien. Films worden gemaakt op basis van een afspraak tussen een werkgever en een werknemer. Degenen die zich geroepen voelen om de macht te nemen, die nemen die macht ook. En zij gaan tegen jou als maker zeggen wat zij willen zien, in plaats van dat ze het zelf gaan maken. En dat is de omgekeerde wereld. En het is goed als iedereen zich daar bewust van is. Daar was het symposium onder andere voor bedoeld en op die manier gaan we nog meer bijeenkomsten organiseren. Makers moeten het idee krijgen dat ze belangrijk zijn; dat het belangrijk is wat zij maken.

Kijk, als het altijd zo is dat je samen met een producent ergens moet aankloppen, dan ben je ervan afhankelijk of de producent dat wel wil. Als de producent dan om het goed te kunnen financieren wil dat je iets meer linksaf gaat, dan ga je iets meer linksaf. Als het Filmfonds tegen je zegt dat je iets meer linksaf moet, want anders krijg je geen geld, dan ga je iets meer linksaf. Dat moet veranderen. Dat moet anders gestructureerd worden.’

Veel dingen die je nu vertelt zijn niet nieuw. Wat wordt er ingezet om een verandering op gang te brengen?

‘De filmsector wordt door politiek Den Haag gezien als een zeurende gemeenschap die altijd klaagt over dat er te weinig geld beschikbaar is. Wat er nu anders is is dat Arno Dierickx en ik besloten hebben om Sytske Kok, Gijs Scholten van Aschat en Karin Wolfs bij ons te vragen om samen het Filmmakersinitiatief te vormen en een brief te sturen naar de minister. In die brief hebben we aangegeven dat we het niet over geld willen hebben. We willen het alleen maar hebben over kwaliteit en over hoe we de kwaliteit van films kunnen verhogen. Voor Den Haag was dat volledig nieuw. Daarop sloeg de minister aan en wilde ze met ons praten. Want het gáát in feite ook niet over geld.

Een van de sprekers op het symposium was de Deense producent/regisseur Rumle Hammerich. Hij legde helder uit dat kwaliteit een internationaal begrip is. Je kunt dat niet nationaal zien. Dus een goeie film is internationaal een goeie film. Een goeie Nederlandse film is internationaal een goeie film. Een goeie Deense film is daarom ook succesvol over de hele wereld. Hij vond ook dat als je arthouse wilt maken, mensen na afloop van je film beschadigd de bioscoop uit moeten komen. Anders mag je het geen arthouse noemen. En dat is natuurlijk waar; daar zit de kern van een goeie arthousefilm. En wat is beschadigd? Daar kun je lang over praten. Maar stel je voor dat je dat als Filmfonds als principe zou hanteren bij de toekenning van subsidie voor arthousefilms; dan heb je in no time veel betere en spraakmakendere films. En daar heb je wat aan. Alleen al aan het hanteren van dat soort criteria.

Met het fimmakersinitiatief hebben we heel goed gekeken naar hoe men in België en Denemarken films maakt. Het symposium is daarop geïnspireerd. En toen rees de vraag: ligt onze lat wel hoog genoeg? Hoe doen ze dat in het buitenland? Zijn we nou lui met z’n allen, worden we tegengewerkt, of is het allebei? Is de invloed van het democratische filmproces te groot? En natuurlijk is het van alles een beetje. Als er iemand kritiek heeft op wat ik geschreven of gemaakt heb, dan heeft diegene het altijd over dat wat hij liever had gezien of liever had gelezen, in plaats van dat de kritiek gaat over wat er daadwerkelijk op papier staat. En dat vind ik een dodelijke vorm van kritiek. Daar kun je als maker helemaal niets mee. En dat is in de hele sector een soort ziekte geworden. Op het symposium heb ik daar ook een praatje over gehouden. Er kwamen na afloop mensen naar me toe die zeiden: ‘ik ga het helemaal anders doen, ik heb het al die jaren helemaal fout gedaan’. Dat soort energie, daar heb je wat aan.

Zo heb ik een voorstel gedaan bij het Filmfonds voor een talentenlab. Ik heb er een plan voor geschreven. Ik heb dat plan ook aan het ministerie van OCW gegeven, want zij hadden erover gehoord en vroegen ernaar. Bij het Filmfonds krijg ik nul op het rekest. Wat ik wil is dat er een creatief directeur van een talentenlab komt. Deze directeur nodigt per jaar acht talenten uit die hij of zij interessant vindt. Dat kunnen mensen zijn die net van de Filmacademie komen, maar ook oudere mensen die al films gemaakt hebben. Het talentenlab selecteert makers die een traject ingaan om een keer een heel persoonlijke film te gaan maken. Het talentenlab helpt hen daarbij. Deze acht talenten stop je een half jaar in een hok en je nodigt elke week een Nederlandse of internationale maker uit. Je gaat een film kijken en die ga je helemaal analyseren. Je analyseert waarom het een goeie of slechte film is. Bij voorkeur is het een film die een beetje in het verlengde ligt van één van de geselecteerde projecten. De week daarop kijk en analyseer je een andere film.

Je kunt een psychiater uitnodigen. Je kunt een specialist vragen om te komen vertellen over angst of andere emoties die in de scripts voorkomen. Je kunt politiemensen uitnodigen om te vertellen over misdaad. Je kunt heel veel bedenken om mensen te inspireren. De projecten worden onderling en met de artistiek directeur besproken en er wordt op een creatieve manier over gebrainstormd. Dan heb je na een half jaar of een jaar acht scripts ontwikkeld die allemaal op de een of andere manier bijzonder zijn, daar ben ik van overtuigd. Vervolgens nodig je producenten uit. Zij mogen al die scripts lezen en motiveren welke van die projecten ze willen maken en hoe ze de projecten gaan financieren. Je moet de deelnemers betalen dat halve jaar, maar dat is de beste investering die je kunt doen. Als je dat elk jaar zou doen – en er hoeft per jaar maar één echt bijzondere film uit voort te komen – dan heb je over vijf jaar een compleet ander Nederlands filmlandschap.

Dit plan heb ik neergelegd bij het Filmfonds en die gaven aan dat daar geen geld voor was. Maar daar kun je als fonds toch zelf over beslissen of je er geld aan uit wilt geven? Zij gaan daar zelf over. Bij het Filmfonds moet alles in potjes en regeltjes. Ik zei: ‘verzin een regeltje, verzin een potje en ga het doen, want volgens mij gaat dit echt werken’. Als je het doet, moet je het vijf jaar lang doen. Ik heb er een begroting bij gedaan en zelfs een alternatieve manier verzonnen om het gedeeltelijk te financieren. Maar vervolgens bloedt het dood en hoor je van het Filmfonds nooit meer iets. Je zou zeggen: omarm zo’n project en doe er iets mee. Het valt me allemaal zo tegen wat het filmbeleid in Nederland inhoudt. Het is me onduidelijk wat men werkelijk wil.’

Zijn er belangen bij het Filmfonds om het idee van zo’n talentenlab niet te adopteren?

‘Zij lijken niet wezenlijk geïnteresseerd te zijn in makers. Dat is een ingewikkeld iets vind ik, als je Filmfonds bent.’

En zit er een belang achter?

‘Nee, het is angst denk ik. In hun ogen zijn wij gekken die je in toom moet zien te houden. Maar wij zijn geen gekken. En als die gekte er al is, moet je die koesteren, want daar komen bijzondere dingen uit.’

Vind je dat iemand persoonlijk verantwoordelijk moet zijn voor de kwaliteit van de Nederlandse film?

‘Ik vind dat de directeur van het Filmfonds een toekomstvisie moet hebben en daarop afgerekend moet kunnen worden. In die visie moet wat mij betreft beschreven staan hoe ervoor gezorgd kan worden dat er in Nederland betere films gemaakt worden. Iedereen die solliciteert voor de positie van directeur van het Filmfonds moet wat mij betreft een toekomstvisie schrijven. Daar moet je dan over discussiëren: wat is de beste toekomstvisie? Degene met de beste toekomstvisie neem je dan aan. Naast de artistiek directeur van het Filmfonds zou er een zakelijk directeur moeten zijn, zo zie ik het. Zodat deze man of vrouw zich geheel kan wijden aan het cultuurgedeelte van het fonds. Volgens mij is dat essentieel. Dat is ook de mantra van ons filmmakersinitiatief.’

Denk jij dat het Filmfonds op dit moment van mening is dat de kwaliteit van de Nederlandse film in orde is?

‘Ja, dat roepen ze.’

Dus er is een verschil van mening.

‘Ja. Het grappige is dat de minister veel ziet. Zij vindt ook dat de kwaliteit van de Nederlandse film ondermaats is. Je hoeft maar naar de bioscoopcijfers te kijken. Wat af en toe nog publiek trekt is een romantische komedie. Daar willen we allemaal niet meer heen. Ik kan het allemaal niet meer zien in ieder geval.’

Verliefd op Cuba liep wel goed, toch?

‘Jawel. Ik heb niks tegen romantische komedies, mits ze uitzonderlijk goed zijn. En zolang er publiek voor is moet het gewoon gemaakt worden. Maar de vraag is: moet het met gemeenschapsgeld gemaakt worden. Dat is de vraag die ik heb. Als het echt een vernieuwende, romantische komedie is, dan kan ik me best voorstellen dat daar geld voor vrijgemaakt wordt.’

De vraag is dan: wat is het doel van het Filmfonds?

‘Precies, daar gaat het om. Het Filmfonds heeft twee doelen. Het eerste doel is om de culturele waarden van Nederland in film te vatten. Het andere doel is een economisch doel; een manier om de filmindustrie te helpen. Het is helemaal doorgeschoten naar die tweede categorie en de eerste categorie is volkomen achterop geraakt. Maar het Filmfonds heeft statutair dus een cultureel doel en een economisch doel. In het sollicitatie-profiel voor de nieuwe directeur stonden deze twee doelen ook genoemd. Ik wil dat het weer wat meer een cultuurfonds wordt in plaats van een economisch fonds. Vroeger had je het Productiefonds en het Filmfonds. Dat is op een gegeven moment samengevoegd [1993]. Het Productiefonds was het economische fonds en het Filmfonds was het artistieke fonds. Misschien was die vorm met twee gescheiden fondsen zo gek nog niet.’

Was je verrast over de uitslag van de enquête?

‘Nee, ik wist het al. Eigenlijk wisten heel veel mensen het al. Ik heb de FPN gevraagd wat zij er van vonden. Zij gaven aan het grotendeels eens te zijn met wat er in de enquête gezegd wordt. Als Filmfonds zou je enorm verrast moeten zijn door de enquête en de uitkomsten moeten omarmen om er vervolgens iets mee te doen. Maar op de een of andere manier zijn we op mensen hun tenen gaan staan.

Omdat we de producenten en het Filmfonds niet hadden uitgenodigd, vinden sommigen dat we aan polarisatie hebben gedaan. Maar ik zal je vertellen waarom we ze niet uitgenodigd hebben. Er waren veel mensen die het invullen van de enquête spannend vonden. Die checkten nog een keer extra of het wel echt anoniem was. De angst leefde dat het uiten van hun onverbloemde mening slecht zou kunnen zijn voor hun carrière. Toen hebben we besloten om eerst een bijeenkomst te organiseren onder de makers zelf. Om onszelf te verenigen en te enthousiasmeren.

De vraag van het symposium was: ‘waar leggen we de lat?’. Het idee was om eens serieus na te denken over die vraag en tegelijkertijd de hand in eigen boezem te steken. Niemand doet dat. De insteek was om dat echt eens te doen. En zelfs dat wordt niet goed begrepen. Dat je onder makers eens vrijuit wilt praten met elkaar. Waarom moet dat sectorbreed? Waarom mogen we niet een keer onderling overleggen over wat wij echt belangrijk vinden?’

Het staat wel online. De bijeenkomst was niet anoniem, want je kunt het ook terugkijken.

‘Klopt. Maar de enquête was anoniem. Iedereen kon tijdens de bijeenkomst zelf beslissen of hij of zij iets wilde zeggen of niet. Stel dat je de resultaten zou presenteren in het bijzijn van het Filmfonds en de producenten; dan krijg je een discussie over die resultaten en dat wilden wij niet. We wilden die enquête presenteren en praten over het grotere idee erachter. Minister Van Engelshoven vond de bijeenkomst bijzonder indrukwekkend. Juist omdat iedereen daar zo open en zo rustig en zo vol energie en vol vuur over cultuur aan het praten was.’

Is er een angstcultuur?

‘Ja, daar moeten we van af. Ik wil proberen die bespreekbaar te maken. Met angsten werkt het zo dat je er pas uitkomt als je je angsten gaat omarmen. Dus ik wil die angsten allemaal bespreekbaar gaan maken. Waar zijn mensen bang voor? Ben je bang voor het verlies van werk? Voor het verlies van geld? Wat kunnen we doen om daar nou eens écht over te praten? Is die angst gegrond of kunnen we die wegnemen? Daar wil ik het over hebben.’

Hoe gaat het met je eigen werk? Kom je daar überhaupt nog aan toe?

‘Ik ben nu met commercials bezig. Af en toe dan heb ik ineens weer een golf van werk op dat gebied. Daarnaast ben ik bezig met de productie van een speelfilm. Die film heb ik helemaal zonder fonds of producent geschreven en die heb ik aan de AVRO laten lezen en die willen hem heel graag hebben. Er komen heel enthousiaste reacties op. Het verhaal is een rare combi tussen een thriller en een heel emotioneel verhaal. Het is een mix van Three Days of the Condor en Manchester by the Sea. Ik wil de film het liefst zelf gaan produceren. Dus ik ben nu een Duitse en Vlaamse co-producent aan het zoeken.’

Tot slot: Heb je recent nog een mooie film gezien?

‘In Eye heb ik onlangs Jacob’s Ladder gezien, een film uit 1990. Een méésterwerk. My God, wat is dat modern. Als je die film nu zou maken en dan met een verhaal over gifgas in Syrië in plaats van agressie opwekkende drugs in Vietnam, meesterlijk! Echt meesterlijk! Fucking bijna 30 jaar geleden! Die film heeft mij weer volledig geïnspireerd. Als je de kans krijgt die nog eens te zien, dat is echt geweldig. Ik vind sowieso sommige dingen echt waanzinnig. Het derde deel van de Fargo-serie heb ik verslonden. Zo’n serie wordt gemaakt voor tv. Vroeger had je die kwaliteit alleen maar in de bioscoop en nu is dat op televisie. Dat kan dus gewoon.’

Author: Sander Houwen

Share This Post On

Commentaar, vraag, of antwoord? Draag bij!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.