Een editor voor regisseurs

Menno Boerema (Velsen, 3 april 1958 – Amsterdam, 16 juni 2019)

Ik was even (blij) verrast toen Janette Kolkema me vroeg voor de site van de DDG een In memoriam voor Menno Boerema te schrijven. Een editor tussen de regisseurs? Maar natuurlijk, besefte ik na de eerste verrassing, als wij regisseurs één iemand moeten kiezen met wie onze relatie het meest hecht is, dan is dat onze editor.

   Ik heb de relatie tussen regisseur en editor altijd de meest intieme in ons filmvak gevonden. Je bent weken aaneen bij elkaar in een half verduisterde ruimte. Het heeft iets van een slaapkamer, zo’n montagekamer, en ik heb menig schoonheidsslaapje gedaan in het bijzijn van Menno. Zo rond vier uur vroeg hij steevast of het niet tijd was voor mijn middagdutje. We werkten altijd samen aan een film. Ik was er alle uren van de werkdag. Als ik vroeger was, schakelde ik de apparatuur alvast in. Menno haatte het om in zijn eentje te monteren. Ik ging alleen even weg om lunch te halen, of om een mok koffie in te schenken, die hij dan weer koud kon laten worden. De routine van een huwelijk.

We kennen allemaal de gruwel van ons gefilmde materiaal terugkijken, de eerste weken van vertwijfeling: is dit het nou waar we zo hard aan hebben gewerkt? Dan is het belangrijk dat er iemand naast je zit die de rust bewaart. Die op zoek gaat naar de kracht van het materiaal, dat er heus wel is, maar in al die kleine rotstukjes film even verdwenen lijkt. Dan heb je iemand naast je nodig die uitstraalt wat elke goede editor uit ervaring al lang weet: met een beetje geduld achterhalen we de kracht heus wel. Menno toonde zeker in de eerste weken een grenzeloos geduld.

    Mart Dominicus verwoordde het tijdens de herdenkingsbijeenkomst in de Duif te mooi om niet uitgebreid te citeren: ‘Menno had een manier van monteren die ik niet anders dan liefdevol kan noemen. Liefdevol voor de maker, voor degene die het materiaal had aangeleverd, maar ook liefdevol naar het materiaal op zich. Dat uitte zich in iets waar Menno wat mij betreft in uitblonk: luisteren. Voordat er gemonteerd werd, werd er eerst geluisterd. Naar de intenties van de regisseur, maar ook naar het materiaal. Wat voor materiaal was het? Waar wilde het heen, wat ging er in schuil, wat kon het verdragen? Zoals een beeldhouwer zijn steen kan aftasten en omcirkelen voordat hij aan de slag gaat, zo zocht Menno naar de juiste ingang tot zijn films en zijn scènes. Eindeloos draaien, kantelen en binnenste buiten keren; net zolang tot het materiaal zich als het ware overgaf en opende. Waarbij hij met vondsten en oplossingen kon komen, die anderen ook na dertig keer kijken maar niet zagen.’

Menno, Porto 13 juni 2019. Foto: Petra Noordkamp

Er zijn twee soorten editors. Zij die het materiaal het werk laten doen, en zij die het materiaal een eigen kant opduwen. De eerste is bedachtzaam, de tweede extravert. De eerste maakt stilletjes zijn punt, bij de tweede luiden bij elke schnitt de klokken. Van beiden ken ik briljante en bewonderenswaardige voorbeelden, maar ik heb me bij de eerste altijd het meest thuis gevoeld. Ik maakte zestien films met Menno, dus het mag duidelijk zijn dat ik hem tot de stille, sluipenderwijs werkende editors reken. Dat is geen waardeoordeel, maar een kwestie van smaak, of beter een zielsverwantschap.

   Er zijn twee giganten van wie Menno het vak van editor heeft geleerd. Al is ‘leren’ een ingewikkeld woord natuurlijk. Het is eerder een opsnuiven, een meekijken met iemand, en een zekere affiniteit voelen die je in je latere filmleven een bepaalde kant opstuurt.

   In Italië was Menno student (en ik meen ook kort assistent) van Roberto Perpignani, de editor van vele Italiaanse grootheden als Bernardo Bertolucci en de gebroeders Taviani. Ik denk dat hij bij hem de warmbloedigheid van zijn editing heeft opgedaan. Menno monteerde op emoties. Overgangen waren er om gemoedsbewegingen door te trekken. Informatie kon hem uiteindelijk gestolen worden. Hoe intellectueel een filmverhaal ook kon en mocht zijn, Menno ging het te lijf op zijn gevoel.

   Zijn tweede leermeester was Ton de Graaff, een Nederlander en wellicht daardoor een tikje strenger en theoretischer dan Perpignani. Van hem leerde hij vooral kijken, eerst kijken en nog eens kijken en dan pas beslissen. We monteerden in de jaren tachtig nog op film, en elke schnitt was feitelijk een beschadiging van je materiaal. Je kon het niet eindeloos verknippen, dan raakte je beeldjes kwijt. Ton was een editor van de feilloze schnitt. Na al dat kijken was het meteen raak. Grappig genoeg heeft dat nooit Menno’s interesse gehad. Die feilloze schnitts waren iets voor de laatste twee dagen, als de film klaar was, dat wil zeggen: als de film vertelde wat hij moest vertellen. Van Ton heeft hij naast dat kijken en nog eens kijken vooral een gevoel voor structuur en vertelling opgedaan, vermoed ik.

   En een liefde voor het handwerk. Zelden een editor gezien die als Ton zo lichamelijk was. Menno was zachtmoediger, maar daarom niet minder fysiek. Menno met een schaar een zachte geluidsovergang in een perfotape te zien maken was een lust voor het oog. Ik mis ook nog altijd het geluid van plakband over een beeldschnitt, de potloodstrepen op de film die een fade-out aangaven, of het routineuze inleggen van de filmrollen op een Steenbeck-montagetafel. Menno’s aan het religieuze grenzende keuze voor het systeem van Lightworks toen de digitale montage zijn intrede deed, schrijf ik nog altijd toe aan de console die werd meegeleverd: die leek op die van een filmmontagetafel, de handelingen voelden dan nog altijd fysiek, en niet aangestuurd door de cursor van een muis.

Welbeschouwd zijn de editors de echte dramaturgen van onze films. Of zoals Marjoleine Boonstra het verwoordde bij de afscheidsbijeenkomst in De Duif: ‘De emotie van een film moet voor Menno niet liggen aan de oppervlakte, hij hoort daaronder in een derde of een vierde laag.’ Ik denk dat Menno zich niet voor niets meer en meer bewoog naar de documentaire, omdat het vinden van die tweede of derde laag de essentie van het maken van documentaires is. De uitdaging daarvan gaf hem de meeste bevrediging.

   Dat vertaalde zich ook in zijn coaching bij de IDFA Summerschool en Filmacademie, waar studieleider René van Uffelen heel goed begreep dat je Menno de vrije rol op het middenveld moest geven. Als voetballer zou hij op Andrea Pirlo hebben geleken.

   Die rol mondde uit in een project waar hij de laatste jaren enorm trots op was: Rough Cut Service. Makers van over de hele wereld kunnen voor een kleine fee aankloppen bij dit collectief van internationale editors, allen stuk voor stuk grootheden uit het vak (https://roughcutservice.com). De Finse producent Iikka Vehkalahti, samen met Menno aanjager van het initiatief, vertelde in De Duif dat een van de selectiecriteria voor projecten was: ‘Passen de makers aan de keukentafel bij Menno?’ Twee dagen voor zijn overlijden was Menno voor een korte vakantie in Porto. Petra, zijn geliefde, maakte daar een foto van hem. Hij zit op een rotsblok, vlak bij het strand. Hij heeft een telefoon aan zijn oor, en zijn vrije hand wappert in de lucht. ‘Don’t worry too much about your film,’ zegt Menno aan een jonge filmmaker in een ver buitenland aan de andere kant van de lijn. ‘It’s a good film. You just have to look at it one more time, very carefully. But now you have to sleep, you need your sleep.’ Het was zijn lust en zijn leven: films vlot trekken, van makers uit verre landen, zonder vooroordelen, maar met één stelregel: de film van de regisseur boven water halen.

   Met zijn films sloot Menno vriendschappen. Hij was een editor van regisseurs. Hij laat velen van ons achter met het onverdraaglijke gevoel dat we onze rough cuts niet meer in zijn veilige, stille handen weten.

Door: Peter Delpeut

Author: Peter Delpeut

Share This Post On

Commentaar, vraag, of antwoord? Draag bij!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.