In Memoriam Kees Hin (1936-2020)

Zondagochtend 4 oktober twaalf minuten over tien verloor Nederland met Kees Hin een van zijn geheimzinnigste filmmakers. Zijn oeuvre bestond uit een kleine honderdtwintig films, een hoeveelheid die elke collega-filmer duizelingwekkend in de oren zal klinken. Maar je kunt met evenveel gemak zeggen dat hij slechts één film van zo’n honderdtwintig scènes maakte, sommige lang en andere kort, losjes aan elkaar geregen, zoals de dagen en jaren in ons leven zich aaneenrijgen.

Kees Hin (1936-2020)
Kees Hin, foto Jan Wich 2016

            Als je door het prachtige boekje de 250 filmblikken van Kees Hin van Sandra van Beek bladert, dan zie je hoe leven en werk een doorgaande stroom zijn geweest. Waar de ene film leek te eindigen, begon feitelijk de volgende. Zijn films documenteren niet de onderwerpen van zijn films, maar het gesprek dat hij ermee aanging. En iedereen die Kees heeft gekend weet dat je nooit wist waar zijn gedachtestroom hem zou brengen. Als je geduldig wachtte, onthulde zich meestal een idee waar je zelf nooit eerder aan had gedacht.

            Peter Dop beschreef het in een artikel op deze website (‘Driedaags filmprogramma KEES HIN in EYE’, 7 jan 2016) heel mooi: ‘Voor Hin is het onderwerp van een documentaire eerder het startpunt, een aanleiding om afzonderlijk mensen die toevallig of zijdelings bij het onderwerp betrokken zijn, te observeren. Al die levens worden niet gebruikt om het onderwerp in te vullen. Maar hij maakt ze tot dragers van het onderwerp. Het resultaat van die methode is geen invulling van het onderwerp, maar een visie.’ Dat klinkt misschien abstract, maar het filmische universum van Kees was altijd concreet. Hij bedreef filosofie met portretten van mensen – uiteindelijk waren het de mensen die hem ten diepste interesseerden: hun motieven om te leven en te overleven.

            Als Peter Dop hem in hetzelfde artikel vraagt naar het waarom van die ‘indirecte’ methode, onthult Kees een geheim dat me vanaf het begin van de dertig jaar dat ik hem heb gekend heeft geïntrigeerd: ‘Maar het is ook de methode van de verlegenheid. Het heeft ook met mijn karakter te maken, die indirecte vorm.’ Verlegenheid, dat was het dus dat zich achter die wegdromende ogen verschool. Zijn glimlach kon guitig zijn, geamuseerd door wat de gedachtestroom hem bracht (alsof hij daar zelf ook weinig aan kon doen), maar het was dus ook een terugtrekkende beweging: alleen in zichzelf waande hij zich veilig.

            Hoe kan iemand die zichzelf verlegen noemt honderdtwintig films maken waarin mensen de hoofdrol spelen? Dat is die andere intrigerende kant van Kees. Ik kwam hem wel eens tegen op straat en dan spraken we kort met elkaar. Zo’n ontmoeting werd zonder uitzondering onderbroken door de ene begroeting na de andere. ‘Ken je dan echt iedereen in Amsterdam?’ verzuchtte ik een keer. Hij glimlachte verontschuldigend, ging er niet op in en verschoof het onderwerp behendig naar een andere gedachte die in hem opkwam. Hij kende echt iedereen, besloot ik, maar kenden wij Kees?

            We hebben zijn films natuurlijk. Als die inderdaad bij elkaar één film vormen, dan is dat wellicht Kees. Veel dichterbij kunnen we niet komen. Laat je dat oeuvre aan je geestesoog voorbij gaan, dan verschijnt er een grillige persoonlijkheid, die inderdaad nooit direct op zijn doel af ging. Alsof hij altijd iets anders wilde vertellen dan waar de film in eerste instantie over lijkt te gaan.

            Ik heb Kees bij verschillende van die films aan het werk gezien en me er altijd over verbaasd hoe hij in een bedrijfstak waar het technische apparaat altijd log en remmend is (zelfs met de kleinste crew heb je het gevoel een mammoettanker te besturen) hij zonder terughoudendheid voor de magie van het moment koos. Ik weet dat hij zich minutieus op een draaidag kon voorbereiden, velletjes met aantekeningen vol schreef, om zo gauw hij ter plekke was dat allemaal te vergeten. Zelfs in de montagekamer, in mijn ogen een plek van schaven en bijpunten, geloofde hij in de inspiratie van het moment: de ene dag is de andere niet, straalde hij dan uit, wat je gisteren dacht hoeft vandaag niet meer te gelden.

            In die zin, denk ik, kun je hem vergelijken met de dichters van de Vijftigers, die zich ook van de regels van het dichtspel ontdeden op zoek naar een authentieke stem. Peter Dop suggereert dat Kees filmde zoals hij sprak. Dat klopt. In de jaren veertig van de vorige eeuw droomde Alexandre Astruc van een caméra-stylo, een camera waarmee je een film ‘schreef’ zoals een schrijver schrijft, vrij en in direct contact met het papier. Parafraserend zou je kunnen zeggen dat Kees droomde van een caméra-parlant, een camera die de nog grotere vrijheid van het spreken uitprobeerde: stamelend soms, orerend ook, of fluisterend, zwijgend zelfs, en dat hij daarbij zeker niet de gestileerde precisie van het geschreven woord nastreefde.

            Hoe paradoxaal het ook klinkt, de ‘verlegen’ Kees kon als geen ander contact leggen. Zijn interviews hadden iets onbeschaamds, alsof de camera hem vrijstelde om zijn nieuwsgierigheid uit te leven. Er zijn veel sprekende mensen in zijn films. Niet alleen zijn vorm was het gesprek, ook de inhoud werd gestuurd door het gesprek. Hij liet mensen praten over zaken waarover ze meestentijds zwegen. Al klinkt ook dit te zwaar voor de lichtvoetigheid waarmee hij een gesprek kon aangaan, zelfs over de zwaarste onderwerpen. Ik denk dat de geïnterviewden zich lieten verleiden door die guitige glimlach, zonder te beseffen dat er verlegenheid achter schuilging.

            Voor jongere generaties die alleen zijn latere werk kennen is het waarschijnlijk moeilijk voor te stellen dat Kees in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw zijn cinéma-parlant kon uitleven op de Nederlandse televisie. Het kleine kijkkastje was een wonder van experimenteerlust in die jaren. Voor mij persoonlijk, in de verre provincie, was de publieke omroep mijn culturele leerschool. De ivoren toren en Beeldspraak waren vrijplaatsen waarin Kees samen met K. Schippers het ene pareltje na het andere onze burgerlijke huiskamer in slingerde. Hij en zijn medemakers toonden me een wereld waarvan ik toen alleen nog maar kon dromen. Ze presenteerden kunst als iets dat je kon amuseren en dat passie opriep. Ik heb hem daar vaak voor proberen te bedanken. Dat wimpelde hij steevast af, zo belangrijk kon dat niet geweest zijn – en zijn ogen draaiden verlegen weg.

            Aan het begin van deze eeuw leek Hilversum Kees echter vergeten. De omroepbazen wisten zich geen raad met hem. Als eindredacteuren voor HUMAN konden Niek Koppen, John Appel en ik Kees opnieuw een plekje op de Nederlandse televisie geven. Samen met Sandra van Beek maakte hij De match (2008) en De beslissing van Wim Maljaars (2011). Hij maakte veel meer films in die jaren, Kees had Hilversum niet echt nodig om aan de slag te blijven, maar het stemde trots om die unieke blik op leven en overleven het platform te geven dat het verdiende.

            Sandra van Beek koos voor een overlijdensadvertentie van zijn vrienden een fragment uit ‘Tegen het vergeten’, een gedicht van Hans Favery, waarin de regels:

                                    […]Door te zien

            blijf ik mij herinneren;

            hoop ik dat ik besta.

Kees interesseerde zich voor geschiedenis, maar nooit als een dode herinnering. Veel van zijn films proberen in het reine te komen met de zwartste bladzijden van het verleden. Hij kijkt er naar vanuit het nu, of meer precies alsof het verleden nu alsnog plaatsgrijpt. Er bestaat in zijn denken geen scheidslijn tussen verleden en heden. Alles vindt plaats in het nu, ook onze herinneringen. Door er naar te kijken bestaat het. En bestaat Kees.

            Kijk naar de schitterende foto die Jan Wich met een feilloze blik van hem maakte. Hoeveel verlegenheid er ook achter schuilging, Kees probeerde met zijn ogen de wereld te grijpen. Honderdtwintig films lang. ‘Het geheimzinnige van het bestaan moeten we te pakken zien te krijgen,’ zegt hij tegen Peter Dop. ‘Want daarmee kunnen we verder leven.’ Elke filmmaker weet dat het daarom gaat. Kees kan ons een voorbeeld zijn.

Peter Delpeut 

Author: Peter Delpeut

Share This Post On

4 Comments

  1. prachtig verwoord en helemaal waar!

    hartelijke groet van Patrice Kennedy

    Post a Reply
  2. Door het commentaar van Patrice besef ik ineens dat niet alleen HUMAN de afgelopen vijftien jaar Kees onderdak bood in Hilversum, maar dat hij ook voor de Boeddhistische Omroep onder eindredactie van Babeth Vanloo een hele mooie film maakte: De Boomgaard/Find the Orchard.
    Het is een film over verlies en rouw, en dus heel toepasselijk nu. Danseres Patrice Kennedy probeert het verlies van haar geliefde uit te drukken in dans en Kees is daar op geheel eigen wijze bij.
    De film is nog te vinden onder deze link: https://www.cultureunplugged.com/documentary/watch-online/play/8034/Find-the-Orchard.
    Een echte Kees-film.
    Peter Delpeut

    Post a Reply
  3. Wat een prachtig I.M. heb je geschreven, beste Peter. Vooral je beschrijving hoe Kees Hin eigenlijk een verlegen man was en zo stamelend zijn vragen stelde en bijna onbeschaamd het meest directe durfde te vragen. Dat maakt zijn interviews zo treffend en ontroerend. In zijn portretten leer je mensen in een oogwenk goed kennen. Een goed voorbeeld is ook ‘Een Wolk van Groen’, waarin Kees Hin de lezers van De Groene Amsterdammer portretteerde. Zo knap gedaan en ook zo mooi in beeld gebracht. Met het overlijden van Kees Hin is er helaas een bepaalde manier van filmen in ons land verloren gegaan.

    Post a Reply
  4. “Parafraserend zou je kunnen zeggen dat Kees droomde van een caméra-parlant, een camera die de nog grotere vrijheid van het spreken uitprobeerde: stamelend soms, orerend ook, of fluisterend, zwijgend zelfs, en dat hij daarbij zeker niet de gestileerde precisie van het geschreven woord nastreefde.”

    Wonderschoon Peter !

    Post a Reply

Commentaar, vraag, of antwoord? Draag bij!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.