Ciné rendez-vous: naar ‘A Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence’ van Roy Anderson

Fijn om te horen dat het goed met je gaat

Digna Sinke en Henk Burger bezoeken  A Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence van Roy Anderson en praten na afloop met Erik van Zuylen en Peter Dop.

 

SONY DSC

Foto: Erik van Zuylen

De Zweedse regisseur Roy Anderson toont in een serie taferelen de vergeefsheid van het menselijk streven. Een man sterft, terwijl hij er niet in slaagt een fles wijn open te trekken. Twee vertegenwoordigers in feestartikelen lukt het niet hun waren aan de man te brengen, of  in het geval ze daar wel in slagen, daarvoor betaald te worden. Een van hen wordt gekweld door een vreselijke droom: geketende negerslaven worden door koloniale troepen een koperen ketel ingedreven. De buitenwand van de ketel is voorzien van orgelpijpen. De onderzijde van de ketel wordt verhit. De opgesloten slaven proberen de hitte te ontlopen en brengen daardoor de ketel in een draaiende beweging. Hun jammerklachten worden door de orgelpijpen vervormd tot prachtige muziek. Een groep stokoude kolonialen verschijnt met een glas in de hand op het bordes, om van het concert te genieten.

Digna Sinke deed productie, regie en camera voor haar film After the Tone. Ze baseerde zich op een door Henk Burger geschreven scenario, bestaand uit een serie op een voicemail ingesproken berichten. Een man is verdwenen, zijn verdwijnen is een raadsel. Zakelijke relaties, vrienden, familie en zijn vriendin zijn naar hem op zoek. Sinke filmde gedurende een jaar in vaste shots de locaties die zij associeerde met de diverse personages.

Digna: Anderson is een volstrekt uniek filmmaker. Ik ken geen films die hierop lijken. Ja, behalve dan zijn andere films. Hij maakt ongelofelijk zorgvuldige constructies en daar zit ik vooral verbijsterd naar te kijken. Hoe precies dat is en hoe hij alle details helemaal naar zijn hand zet. De laatste tijd kom ik vaak terecht in discussies over fictie en documentaire. Dit is natuurlijk superfictie, maar je ziet dat je met fictie zo verschrikkelijk dicht bij echte werkelijkheden kan komen, misschien wel meer dan documentaire ooit kan bereiken. Ik maak zelf nooit dat onderscheid, ik moet altijd verdedigen dat fictie eigenlijk documentaire is en documentaire eigenlijk ook fictie. Dit is super superfictie, maar het gevoel waaraan het refereert, de eigen heftigheid waar je in terecht komt, dat zijn weer hele echte dingen, die je relateert aan de echte werkelijkheid.

Henk: Of je eenzaamheid.

Digna: Ja, het is wanhopig allemaal, het is waanzinnig wanhopig wat daar gebeurt, dus het is zo vreselijk herkenbaar. In de tijd dat ik op de Filmacademie zat waren succes, ambitie, carrière buitengewoon verderfelijke begrippen. Wij hadden veel meer liefde, respect en begrip voor de loser, of de halve mislukkeling of degene die het allemaal niet gemaakt had dan dat we succes en ambitie interessant vonden. En geld was ook wel een semi-vies woord. Je wilde het wel hebben om wat te kunnen doen. Maar dat was het dan ook wel.
En deze film gaat alleen maar over mislukking,  eenzaamheid, wanhoop, een loser zijn.

A-pigeon-sat-on-a-branch 4

Henk: Ook wel over de gedegenereerde westerse samenleving, vind ik. Er komen alleen maar blanke mensen in voor die zich letterlijk als een soort zombies door het leven bewegen. Eigenlijk alles wat ze hadden is alweer verouderd. Die gebouwen waren ooit heel modern, maar die zien er nu in al hun prachtigheid weer heel aftands uit. Zo’n scène als die met de aap die in het laboratorium gemarteld wordt voor ons welzijn, ik vind het heel erg de gedegenereerde westerse samenleving.

Digna: Dat vind ik niet. Dat heb ik wel bij die scène waarin die zwarte mensen in die ketel gedreven worden, maar daarvoor heb ik niet het gevoel dat het over de gedegenereerde westerse samenleving gaat. Dan vind ik dat het over mij gaat, dat het niet zover weg is.

Henk: Die twee mannetjes die pret verkopen, bij voorbeeld. Dat is intens triest.

Digna: Maar dat doen we toch allemaal! Of jij niet misschien? Jij bent succesvol?

Henk: Het gaat over de blanke, westerse mens die ontspoord is in al z’n streven naar welzijn en luxe en welvaart en daar alles voor in het werk heeft gezet.

Digna: Ik zie dat toch heel anders. Ik zie het veel universeler dan de ontsporing van de westerse mens.

Henk: Het is maar één van de vele dingen die ik erin zie. Voor mij is het een ultieme film over de intense eenzaamheid en onbereikbaarheid van elkaar.

Digna: Ik denk dat dit van alle tijden is, de condition humaine, mensen kunnen niet verder komen dan deze…

Henk: Triestigheid.

Digna:.. triestigheid te bereiken.

Henk: Dat is ook wel wat ik bedoel, hoor.

Digna: Maar er zijn ook een paar andere momenten. Die vrouw die met de voetjes van het kind in de kinderwagen speelt, dat is een gelukzalig moment.

Henk: Ik moet steeds aan dat citaat denken, ik weet niet meer van wie, die zegt: ‘De mens is een triest zoogdier dat zich kamt’.

A-pigeon-sat-on-a-branch 3

 

Zich kamt?

Digna: Met een kam? En een borstel? Maar dat doe ik nooit!

Henk: Nee? Dan ben je geen triest zoogdier! Als een van de weinigen denk ik dan.

Digna: Maar ik kam het echt nooit! Stel je voor!

Henk: Maar bijna iedereen kamt z’n haar toch? Voor de spiegel je haar kammen, dat begrip bedoel ik. Als menselijk gedrag. Dat zie ik in deze film, dat dat de triestigheid van de mens is geworden. Ik had zo’n moeite met de scène met de kinderen met dat Down syndroom. Daar kon ik echt niet naar kijken.

Digna: Nee? Want?

Henk: Het maakt me heel ongemakkelijk. Omdat Anderson me niet hielp met het plaatsen in de context. Heel anders dan het kijken naar de aap in de vitrine, werd het kijken naar die Down syndroom kinderen, die niet geregisseerd zijn,  een vorm van aapjes kijken. Daar twijfel ik heel erg over.

Digna: Ik heb daar helemaal geen probleem mee. Want ik denk eigenlijk dat het wel heel goed laat zien hoe wij daarmee omgaan.

 

Een begeleider staat op een podium naast een pupil die een gedicht wil voordragen.

Digna: Zo’n man die zegt: ‘Heel goed!’ en ‘Mag ik een applausje!’ Zo gaat dat echt! Met alle goede bedoelingen. Dat is niet eens boos. Het kan ook veel erger. Je kan de mensen ook opsluiten. Dat doet hij niet. Hij doet het heel aardig op zijn manier. Maar het is te pijnlijk om te zien. Maar ik vind het niet erg dat hij kinderen die rol laat spelen. Ik denk ook dat die twee kinderen die het podium oplopen dat dat documentair is, om zo te zeggen, maar waarom niet? Wat is daar nou op tegen?

Henk: Omdat hij al het andere regisseert tot in de finesses.

Digna: De meisjes die bellen blazen op het balkon zijn ook minder geregisseerd. Die gaan ook meer hun eigen gang. Zoals kinderen hun eigen gang gaan.

Henk: Maar toch, het meeste houdt hij heel erg in de hand, voor mijn gevoel. Extreem, waarmee hij iets zegt over hoe hij de mensen wil portretteren. Maar hier laat hij de Down syndromers zijn wat ze zijn. Het enige wat het pijnlijk maakt is die man die het probeert te coachen en te betuttelen en te verklaren en in de hand te houden. Dat meisje krijgt niet eens de ruimte om het gedicht te vertellen, hij laat haar gewoon zin voor zin zeggen wat het gedicht zal zijn dat ze niet gaat vertellen, dat is ook zo pijnlijk.

Digna: Maar dat meisje treft geen blaam. Ik heb er geen last van.

 

Het levert wel een prachtige dialoog op, sterker dan wanneer ze het keurig zou opzeggen.

Digna: Misschien hebben kinderen nog een soort onbedorvenheid en hoe ouder je wordt, hoe meer je daarvan kwijtraakt. Want de oudste mensen doen de ergste dingen.

Henk: Die zijn echt gemeen.

a pigeon_6

 

De alleroudste was de man in het café.

Digna: O ja!  Weet je, ik moest bijna huilen!

Henk: Toen hij in zijn jas geholpen werd?

Digna: Ja. Als ze daar zo met zijn allen staan te stuntelen, om zijn armen in de mouwen van zijn jas te krijgen, ik vond dat eigenlijk zo ontroerend. En gek genoeg werd dat direct daarna weer doorbroken als ze hem goedenavond wensen. Hij loopt naar de deur en ze moeten het steeds luider naschreeuwen.

Want hij is stokdoof.

Digna: Het grappige van Roy Anderson is, dat ik niet achter zijn gebruiksaanwijzing kom. In sommige scènes komt hij heel dichtbij, toont hij een soort van semi-werkelijkheid en sommige andere scènes zijn weer over de top, gek, of absurdistisch in alle vormen. Hij is daarin een volstrekte anarchist. Dus hij zet mij nooit op een goed been voor één systeem. Ieder keer is het toch weer een kwartslag anders dan dat ik denk dat het is.

Henk: Hij codeert die film zo prachtig en doordacht, ook in zijn kleurenpalet en zijn acteerwerk. Zijn manier van spreken en zijn taalgebruik, dat vind ik ook subliem. En in de dialogen, wat hij weglaat, daar wordt zoveel in verteld. Maar er zijn van die momenten dat ik denk: nu doorbreek je die hele prachtige codering.

a-pigeon-sat-on-a-branch-reflecting-on-existence5

Digna: Dat geloof ik dus niet.

Henk: Nee?

Digna: Dat is jouw interpretatie. Jij vindt het een probleem. Hij kiest dat niet voor niks. Dacht je dat dat toevallig zo gebeurde? Natuurlijk niet.

Henk: Nee, niets is toeval.

Digna: Hij wil dat zo. Hij wil jou verschillende dingen in de aanbieding geven. Dat jij dat af en toe niet waardeert en dat ik het grappig vind dat ik er geen vat op krijg.

Henk: Het slingert mij eruit. Ik vind de film voor 90% perfect, maar er zijn momenten dat het schuurt.

Digna: Ik herken het wel, maar ik verzet me ertegen. Ik denk, hij heeft me nou echt te pakken.

Henk:  Heb je dan geen kritiekpunten? Is dit voor jou een perfecte film?

Digna: Nou, voor mij grenst dit wel behoorlijk aan perfectie. Misschien inderdaad door die dingen die ik niet kan vatten, die ik onbegrijpelijk vind, waar hij mij voor verassingen stelt. Ik zou het zelf niet doen, maar eigenlijk vind ik het wel heel fijn wanneer mij dat verrast, wanneer ik in verwarring ben. Dat komt zo zelden voor.

Meestal speculeren films er op dat je het wel door krijgt. Hij wil dat niet hebben. Hij wil dat jij permanent niet gaat weten wat de volgende scène zal zijn. Dat het eindigt met mensen bij een bushalte dat had je nou weer niet gedacht na die rare koperen ketel.

Henk: Nee.

Digna: Het heeft ook met je eigen verbeelding te maken. Op het moment dat jouw verbeelding niet werkt, of niet zo goed werkt, of een beetje minder werkt, dan gebeurt er niks met die koperen ton waar die mensen inzitten.

Henk: Maar zouden er mensen zijn die zich er niet kunnen herkennen? In de mensen zoals ze in de film worden neergezet, als trieste wezens, eenzaam en onmogelijk om met elkaar te communiceren?

Digna: Er zijn vast mensen die die codes niet begrijpen, die niet het universele eruit halen.

Henk: Maar gaan die naar de bioscoop?

Digna: Dat weet ik niet. Het is toch wel een film voor liefhebbers.

 

 

Wat zou er gebeuren als je het opschrijft en je biedt het ergens aan?

Henk: In Nederland? Nou dat durf ik wel te voorspellen. Het wordt nooit gemaakt.

Digna: Bij het Filmfonds?

Henk: Daar weten wij alles van.

Digna: De film waar wij samen aan gewerkt hebben, After the Tone, dat ging er helemaal niet in.

Henk: Het verhaal gaat erover dat mensen elkaar niet kunnen begrijpen, niet kunnen kennen. Het speelde zich af rond de hoofdpersoon Onno, die plotseling op een onverklaarbare wijze verdwenen was. De commissie van het Filmfonds schreef daarbij als commentaar: het is zo jammer dat je de hoofdpersoon niet kan begrijpen.

Digna: Maar daar ging de film juist over. Het was het thema van de film. We vonden dat commentaar pijnlijk om te horen.

Henk: Het zegt iets over de kwaliteit van de beoordeling, want ik denk als je daar niet doorheen kan lezen, dan ben je voor dit soort films niet de geëigende persoon om te beoordelen.

Digna: Er zijn allerlei films waar het Filmfonds wel een goed oordeel over kan hebben, er zitten ook wel verstandige mensen, maar er is een bepaald type film, en ook de film van Roy Anderson zou daar heel goed onder kunnen vallen, daar kun je niet meteen van zien wat het wordt en of het werkt. Want die houdt zich niet aan allerlei dramaturgische wetten, dus als je dat op papier leest, dan denk je: wat is dat nou voor onzin.

Henk: Het maken van After the Tone heeft ook twaalf jaar gekost.

Digna: Het is iedere keer een hard gevecht. Al mijn eigen films zijn in eerste instantie afgewezen, en pas na nog een keer, of als een andere partij wel meedeed, lukt het na een tweede keer om iets gesubsidieerd te krijgen.

 

Voor After the Tone heb je zelf de camera gedaan. Hoe is dat gegaan die ontplooiing tot cameravrouw?

Digna: Ik ging naar de Filmacademie in 1968. Ik was niet zo’n goeie verhalenschrijver, had wel poëzie geschreven en daar ook prijzen mee gewonnen. Ik kon heel goed tekenen, maar mijn echte passie was fotografie. Ik had een donkere kamer vanaf mijn veertiende en een van mijn favoriete dingen was op een vrije woensdagmiddag de stad in te trekken en alles wat mij beviel te fotograferen. Ik ben nu alles aan het digitaliseren en sommige foto’s zijn verbazingwekkend goed. Ik had me ook aangemeld voor Sint Joost omdat je daar film en fotografie kon doen, maar ik koos de Filmacademie omdat ik toen al een enorme filmliefhebber was. Ik woonde in Utrecht en Huub Bals organiseerde daar de Cinemanifestatie en daar zag ik Godard in levende lijve. Maar op de Filmacademie begreep ik al heel snel dat je daar als vrouw geen camera kon doen, want de echte professionele camera’s waren loodzwaar in die tijd. De natte accu’s waren nog maar net de deur uit, ik heb ze nog, die tassen wogen 15 kilo. We hadden les van een camera docent Emile van Moerkerken. Hij vond dat vrouwen leuk waren om naar te kijken, zeker als ze korte rokjes aan hadden en open bloesjes. Maar ze hoorden niet met hun handen aan de camera te komen. Ik kom uit een bèta familie, vrouwen zijn in mijn familie allemaal bèta’s, ik heb geen techniek angst, daar lag het niet aan. Maar daarom is het dus nooit camera geworden.

Totdat ik met mijn film Weemoed en wildernis op het FIFE festival in Parijs (Festival International du film d’environnement) een prijs won van 6000 euro. En toen dacht ik: ik koop een camera. En ik heb zo’n Panasonic AGAF101 gekocht, die was net nieuw, verwisselbare lenzen, dieptescherpte, een filmachtige videocamera.

Toen onze film afgewezen was door het Filmfonds en ik me in de drie maanden daarna enigszins beduusd afvroeg: ‘Wat nu?’, was die camera de oplossing. Want als je je eigen cameravrouw kunt zijn, bespaar je zo veel geld. Ik had weer dat gevoel van mijn passie voor fotografie. Dat je met een camera op stap gaat, gewoon in je fietstas, en dat je denkt: wat kan mij gebeuren, ik probeer het gewoon. Alsof ik 15 was. Het was zo’n bevrijding! En je wilt niet weten wat ik allemaal voor barre onzin gefilmd heb, omdat ik niet helemaal doorhad hoe het werkte en allerlei stomme fouten maakte. Sommige plekken ben ik vaak opnieuw gaan opzoeken.

Henk: Je wilde toch ook het verloop in de jaargetijden laten zien.

Digna: Dat ook, maar ik ging ook vaak terug, omdat de scherpte niet goed was of ik kreeg net niet het goede licht. Bij het eind van de Overtoom begon ik te laat in het seizoen, het licht kwam niet meer ver genoeg de bocht om. Ik had het wel geresearcht, ik had hele schema’s gemaakt van wat ik wanneer moest doen. Ik had het in september moeten draaien maar het kwam er pas van in oktober. En toen bleek de zon daar al niet meer te staan en was mijn kans verkeken.

Heb je dat een jaar later ingehaald?

Digna: Ik heb precies een jaar rond gedraaid, om aan het eind van de hele rit nog een paar dingen in te kunnen halen die ik in het begin gemist had. In het begin maakte ik ook de enorme fout dat ik de shots te kort draaide. Daar kwam ik heel snel achter. Toen hebben we die teksten op proef ingesproken, Leen van den Berg voor de mannenstemmen en ik voor alle vrouwenstemmen. Dat was eigenlijk de eerste keer dat ik dacht: dit gaat lukken, dit gaat een film worden. Het was een betoverend moment. We hadden er nog maar een paar beelden bij, maar je voelde dit gaat werken.
Ik heb toen alle teksten gemonteerd om de volle lengte van de film te weten. En om van ieder shot te kunnen timen hoeveel tijd ik nodig had voor de tekst.

En hoelang ben je bezig geweest met het bepalen van de locaties?

Digna: Eindeloos. Ik heb heel lang gezocht naar de juiste locaties. De hoofdlocatie, waar Onno, de hoofdpersoon zijn bedrijf heeft, dat is nu aan de Cruquiusweg. Eindeloos lang heb ik dat afgekeurd, het is net niet krachtig genoeg, het hangt er tegenaan, het is het bijna.

Henk: Is het door een jaargetijde, dat je dacht het kan wel?

Digna: Nee, door de schepen die daar lagen.

Henk: Ja, met dat doorkijkje.

Digna: Door dat doorkijkje.  Achter de Cruquiusweg ligt de kade waar de betonfabriek is. Daar worden zandschepen geladen en gelost. En dat vond ik zo fascinerend. Als je achter het gebouw staat heb je dat doorkijkje op die schepen en ben je in het gebouw dan is dat permanent je uitzicht.

Henk: Iemand mailde me dat Onno natuurlijk stiekem met zo’n zandschip is vertrokken.

Digna: Dat zou zo maar kunnen.

 


 

A Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence is nog te zien in diverse filmtheaters, waaronder EYE en Rialto in Amsterdam. Kijk voor overige steden hier.

Author: DDG

Share This Post On

Commentaar, vraag, of antwoord? Draag bij!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.