Bob Rooyens ervaringsles 2: nieuwsgierigheid

Als beginnend regisseur pakte ik alles aan. Van een showtje met cabaret-liedjes van Guus Vleugel:

…..tot dramatische dialogen tussen een Duitse vader en zoon over de tweede wereldoorlog.

Ik regisseerde maandelijks ‘Club Domino’ (serie met vedetten van het Franse chanson) en in 1963 begon ik met Willem Duys aan ‘Voor de Vuist weg’. Met Mies Bouwman maakte ik een documentaire over straatmuzikanten: ‘Toonkunst op de keien’ en met Ko van Dijk (beste leerschool ever) een comedy-serie.

Allemaal zeer verschillende genres en zoals elk publieksprogramma, gericht op een emotionele reactie bij de toeschouwer. Inhoud is voor mij een variant van steeds maar weer dezelfde handelingen of situaties die min of meer dezelfde identificeerbare emoties oproepen. ‘Boosheid, angst, verdriet, vreugde’ en afgeleiden daarvan als ‘afgunst, schaamte, begeerte, liefde, verbazing, haat, wraak etc….’

Regie gaat niet over inhoud, maar over vorm. De manier waarop je je team aanstuurt en inspireert, de keuze van de medewerkers, de protagonisten, antagonisten, taal, muziek, decor, graphics, aankleding, licht, kostuum, stemgebruik, make-up, camera-uitsnedes, volgorde van shots…, allemaal vorm. Vorm = kiezen. Keuzes die het eindresultaat bepalen.

Alles zit in de vorm. De vorm is de verandering. Het bakken van een taart is niet nieuw. Het is de vorm waarin het nu op televisie wordt gebracht die anders is. Cabaret is niet nieuw, cabaret begon al in 1881 in Parijs, in Le Chat Noir van Rodolphe Salis met de flamboyante Aristide Bruant als grote brutale bek. Iconisch vastgelegd op de affiches van de Toulouse-Lautrec. (Begin 60er jaren kocht ik voor fl. 2,95 bij de Slegte, het boekje: ‘Montmartre van Tempel tot Tingeltangel van Rits Kruissink. Geweldige bron van informatie, vermaak en schoonheid. Warm aanbevolen.)

Theater is niet nieuw. Theater is de voortzetting van de potsenmakers op de jaarmarkt. Zo’n 500 jaar voor Christus maakten de Grieken al drama. En drama is een blik op ons zelf. De inhoud is altijd het menselijk kunnen en vooral het menselijk tekort. Het is de vorm die het anders maakt. Dans is in oorsprong de erotische betoning van het lichaam. Het is de uitdaging en de verlokking die wordt aangejaagd door de oerdrift tot paren. De vorm is de betekenis.
De talentenjacht is niet nieuw. In 1964 maakte ik ‘Nieuwe Oogst’. Het was de wieg waarin André van Duin z’n eerste boertje liet. In 2019 is de concurrentie tussen talentenjachten moordend. In de jaren 60 maakte een gongslag of een hinnikend paard, een einde aan de illusie van een glorieuze toekomst in de showbusiness. Nu is dat een stoel die niet wil draaien, 100 mensen in een vrolijke wand die niet opstaan….

….of een krankzinnig kostuum waarvan de jury niet wil weten wie erin zit.


Deelnemers, jury, verliezers en een winnaar. Allemaal hetzelfde principe, alleen de vorm is veranderd.
Vorm als inhoud kan betoveren.
Inhoud zonder vorm is verloren.

Toen ik in 1962 begon was er nauwelijks referentie, laat staan geschiedenis. De regisseurs van de eerste generatie waren voornamelijk radiomakers die, na een spoedcursus bij de BBC, door hun omroep werden doorgeschoven naar de televisie. Zij maakten eigenlijk radio met een plaatje. 
Het medium werd als prachtige bruid, met een authentieke personality niet herkend. De potentie en mogelijkheden lagen nog verborgen achter de hardmetalen panelen van de techniek.

Op 6 oktober 1964 werd ‘Hoofdstuk I’ uitgezonden. Een serie programma’s rond Adèle Bloemendaal. Het werden zes Hoofdstukken. Adèle was alleen te zien in de eerste aflevering. In een andere column heb ik al eens uitgelegd hoe dat gekomen is. ‘Hoofdstuk’ was een gezamenlijk programma van Jef de Groot en mij (samen concept en productie en ik deed de regie). We hadden een creatief team om ons heen verzameld dat in de kern bestond uit Massimo Götz (decorontwerp), Armando (kunstenaar), Hans Sleutelaar (schrijver/dichter) en Frits Müller (graficus/illustrator/ cartoonist). ‘Hoofdstuk’ markeert voor mijzelf het begin van televisie als een medium dat meer kan, dan het (al dan niet ‘live’) verplaatsen van bewegende beelden.

Ik herinner mij dat ik een keer de C.C.K (technische controle-ruimte) binnenliep en uit nieuwsgierigheid informeerde waar een paneeltje met drie rijen knopjes eigenlijk voor diende.
‘Oh dat? ….dat is het stuk in kont paneeltje’.
‘Hûh..!?’
Ik wist toen niet en nu nog niet, waar die uitdrukking vandaan komt. Ik voelde wel een sterke impuls om eens op die knopjes te drukken. Dat heb ik ook gedaan en tot mijn grote geluk bleek de hoofdbeeldtechnicus Theo Jansen een avonturier die volkomen paste bij mijn nieuwsgierigheid. Het railtje bleek in retrospectief een luminanz keyer. Met aan de ene kant de inlay en aan de andere kant de overlay. Bedoeld als titelkeyer, maar werd als zodanig nooit gebruikt. 

Vanaf dat moment strekte de elektronica, het hart en de bloedsomloop van televisie, haar armen naar mij uit. Het was de geboorte van Venus. Verwekt uit zeeschuim, naakt en toch nog zo verhullend op de schelp gezet door Botticelli. Mijn zeeschuim was elektronica. Tot in de diepste krochten van haar ziel, werd er aan de knopjes van mijn zojuist geboren Venus, geschroefd en gedraaid. In retrospectief denk ik, dat het eerste beeld dat ik via elektronisch gemanipuleer heb gebruikt, het beginshot is van Mark Murphy’s ‘Out of this world’. De ‘inlay’ is een zwart/wit testbeeld.

We experimenteerden met de vloek van elke technicus, namelijk het ontregelen van afregel-instructies van de camerafabrikant. We lieten het wit vastlopen en zochten in combinatie met de luma keyer, naar een ‘high key’ effect.

Voor een choreografie van Robert Kaesen had Massimo Götz een open balkendak bedacht. Voor we de studio ingingen besprak ik bij mij thuis met Massimo en belichter Henk de Rover gedetailleerd het programma door. Toen het balkendak aan de orde kwam, frutselden we met een stukje karton en een doos lucifers een modelletje in elkaar, deden het licht uit en keken met een zaklantaarn er boven, wat er qua belichting allemaal mee kon.

Omdat een hand nou eenmaal niet helemaal stil staat, zagen we het licht dat langs de lucifers op een wit velletje A4, viel, bewegen. Wauw! Dat moesten we hebben. Bewegend licht!
Henk de Rover liet in de studio een rail installeren. Daaraan werd een 5kw opgehangen en belichtings-assistent Ole ter Kuile trok die spot aan een touwtje heen en weer. Het bezorgde hem in televisiekringen de troetelnaam: Ole en de vliegende 5kw.
Het zou nog tot in 1980 duren voordat ‘Genesis’ met de eerste Vari-lite’s ging werken.

Theo Jansen, was een technicus die nergens voor terugdeinsde. In mijn naïviteit dacht ik dat er misschien wel iets moois zou gebeuren als je de iconoscoop (de beeldbuis in de zwart/wit camera) een tijdje in een ‘freezer’ zou leggen. Theo vond dat wel een leuk idee. Ik dacht, misschien zien we bij het opwarmen in de camera het beeld kristalliseren of zoiets….De buis werd bevroren en daarna teruggeplaatst in de camera. Met hijgende opwinding in de strot en kwijl rond de lippen, keken we naar de monitor.
Er gebeurde niets. Ja, de buis was naar de knoppen!

BR_13.4.2019

Author: Bob Rooyens

http://www.bobrooyens.com/BioBob3_11.htm

Share This Post On

Commentaar, vraag, of antwoord? Draag bij!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.