Marc Schmidt over zijn nieuwe film ‘De Wand’

De nieuwste film van Marc Schmidt heet De Wand en gaat over Lydia (15) die al jaren een zeldzame bloedziekte heeft waarvan ze maar niet geneest. De artsen doen een ultieme poging haar te helpen met een beenmergtransplantatie. Deze spannende periode moet Lydia doorbrengen achter een glazen wand.

Schmidt: ‘Ik wist van de behandeling af via een vriend van een vriend. Zo wist ik ook dat het nogal belastend is, omdat de patiënt – die een zeer lage weerstand heeft – een tijd lang achter een glazen wand verblijft om besmettingen te voorkomen. Ik vond het interessant omdat je dan een tijd alles zo geïsoleerd moet beleven. Iedereen heeft behoefte aan sociaal contact, maar als kind is dat helemáál superbelangrijk.

In dezelfde periode las ik het boekje Noordenwindheks [Daan Remmerts de Vries]. Het gaat over twee kinderen die samen in het ziekenhuis liggen en over hoe zij contact hebben met elkaar. Een prachtig boekje. Ik dacht: ‘die film moet ik gewoon gaan maken’ en toen heb ik een plannetje geschreven. De kunst was vervolgens om een ziekenhuis zo ver te krijgen om mee te willen doen. Een ziekenhuisfilm is sowieso lastig, maar een kinderziekenhuis is nóg moeilijker. Helemaal als er in het kinderziekenhuis een speciaal protocol geldt in verband met besmettingsgevaar.

Er zijn maar twee ziekenhuizen in Nederland die deze behandeling voor kinderen hebben: Utrecht en Leiden. Utrecht reageerde heel aarzelend ten aanzien van het filmen; zij zagen vooral beren op de weg. Leiden was heel open; daar zag men het wel zitten. We hadden meteen een klik, ook met de afdeling communicatie. Je hebt dan met voorlichters te maken en daar hoor je soms heel slechte verhalen over. Voorlichters die elke zin met nee beginnen. Maar dat was hier absoluut niet het geval. Ze waren coöperatief en dachten ook echt mee hoe de film te realiseren. Tot het eind toe was het een heel goede samenwerking.

Bij deze film ging alles heel snel. We waren nog aan het begin van de research-fase, we hadden nog maar net besloten om ons te richten op Leiden en hadden een eerste gesprek gehad met de arts en het ziekenhuis. Ze gingen al vrij snel voor ons kijken of ze een geschikt iemand konden vinden. Zo veel patiënten krijgen ze nu ook weer niet. Ik had al aangegeven dat mijn voorkeur uitging naar een tiener en dat is een wat lastige leeftijdscategorie, omdat het bij tieners onzeker is of ze mee willen doen. Ik hield er rekening mee dat het wel een tijd zou duren voordat zich een geschikte patiënt zou aandienen. En dat vond ik ook wel weer goed, want dan had ik mooi de tijd om te researchen. Dan kon ik eerst rondlopen en kijken hoe een en ander in zijn werk ging. Ik had geen haast. En opeens, twee weken later al, kreeg ik te horen dat Lydia haar behandeling begon en kreeg ik het voorstel om haar te ontmoeten. En zo ging het opeens heel snel. Ik ben meteen naar Zeeland gereden; ook om even te checken of ze het echt zelf wilde en niet dat haar ouders het vooral wilden en niet zijzelf. En om elkaar te leren kennen. In no time begon die behandeling. Dat was wel even lastig omdat ik inhoudelijk en qua filmconcept eigenlijk nog niet zo ver was. Ik heb getwijfeld of ik het moest doen of dat het te snel kwam. Toen besloten we om toch te gaan filmen en als het niet goed zou gaan de opnames als investering, als research-opnames te zien. Maar voor ik het wist zat ik middenin die film en had ik door dat Lydia echt goed was. Dat wist ik van tevoren niet, want ik had haar maar één keer gezien.’

In het begin van de documentaire staat: ‘een film van: Lydia Vale en Marc Schmidt’. Wat zegt dat over de rol van Lydia?

‘Lydia was in het begin heel timide. Een stil, teruggetrokken persoon. Dat is een beetje haar aard. Het is niet iemand die zichzelf meteen prijs geeft. Maar het bleek dat ze heel zelfverzekerd is in wat ze wel en niet wil laten zien en dat ze ervoor gekozen heeft om gewoon heel erg eerlijk te zijn. Dat had ik wel besproken met haar: ‘als we dit doen dan heeft het alleen zin als je eerlijk bent’. Dat heeft ze gelukkig heel letterlijk genomen. Dat zij zich zo open stelt, heeft de film voor een heel groot deel gemaakt. Ik heb haar een camera gegeven; haar eigen inbreng is heel groot. Dat is niet iets wat ik altijd doe. In haar geval leek me dat goed en zo pakte het gelukkig ook uit. Een film maak je natuurlijk nooit alleen, maar haar opnames zijn zo essentieel voor het verhaal. Natuurlijk heb ik haar gestuurd en gezegd hoe ze dingen moest doen, maar een groot deel deed ze uit eigen beweging. Haar inbreng is groter dan alleen maar gefilmd worden. Haar naam in beeld in het begin van de film is een geste; dat ik het waardeer dat ze zo open is geweest.’

 

Hoe selecteer je je onderwerpen voor je films?

‘Er zijn veel meer interessante verhalen dan ik kan vertellen. Ik ben kritischer geworden op wat ik wel en niet doe, want ik vind heel veel interessant en ik kan niet alles doen. Inmiddels weet ik wel wat mijn sterke en minder sterke punten zijn, denk ik. Bij sommige onderwerpen die ik heel leuk vind denk ik: het is beter als iemand anders dit doet. Ik let ook meer op wat mijn thema’s zijn. Welk verhaal past bij mij?  Ik kijk niet alleen naar wat ik kan, maar ook of een nieuwe film aansluit bij mijn eerdere films; dat ze samen uiteindelijk een soort groter verhaal gaan vertellen. Het zou leuk zijn als dat op een gegeven moment gaat ontstaan. Dat was heel lang een onbewust proces. Ik ben het me wat meer gaan realiseren en nu doe ik dat wat bewuster. Het moet ook niet te bewust worden. Ik vind het leuk om te kijken of ik dezelfde soort thematiek steeds van een andere kant kan bekijken. Dus toch een soort langetermijnonderzoek.’

En dat thema heb je ook duidelijk in je hoofd?

‘Dat heb ik wel in mijn hoofd, maar ik ben terughoudend om dat in woorden te vatten. Omdat het dan zo definitief wordt. Juist omdat ik het wil blijven onderzoeken moet ik het niet te veel vast gaan pinnen. Er zijn dingen die veel terugkomen. Bijvoorbeeld in hoeverre je controle hebt over jezelf of over je omgeving. In hoeverre kun je iemand kennen of er contact mee maken? In hoeverre heb je andere mensen nodig? Dat soort thema’s resoneren veel in mijn films. Het is geen bewuste keuze, het zijn onderwerpen die bij me passen. Ik ben ze gaan herkennen op een gegeven moment. Het maakt het makkelijker om uit de veelheid van dingen te kiezen. De thema’s zijn niet in beton gegoten. Wellicht dat de nadruk anders komt te liggen of dat er een nieuw thema bij komt en er iets anders afvalt, maar daar heb ik nu helemaal geen behoefte aan. Verder ben ik er ook achter dat ik het beste gewoon hier in Nederland, in de buurt, de onderwerpen voor mijn films kan vinden. Dat ik niet per se heel ver weg hoef. Ik vind het wel leuk hoor, om te reizen, maar films maken kan ik het best in mijn directe omgeving, denk ik.’

 

Je werkt met een aantal vaste producenten. Wat maakt een producent goed?

‘Het allerbelangrijkst is dat producenten transparant zijn. Dat duidelijk is wat ze doen en dat ze daar eerlijk over zijn. Dat je inzage krijgt in alles; dat vind ik voorwaarde nummer één. Ik geloof dat er nog wel producenten zijn die niet transparant zijn, maar dat vind ik niet acceptabel. Transparantie is voorwaarde nummer één; anders ga ik niet eens praten.

Producenten moeten een goed netwerk hebben, ze moeten je film kunnen verkopen en zich daar actief voor inzetten. Dat doen we samen, zo zie ik dat wel, maar het is de primaire verantwoordelijkheid van de producent. En verder: inhoudelijke kennis, betrokkenheid en loyaliteit. Ik vind het belangrijk dat op het moment dat je aan de slag gaat ze achter je staan en constructief meedenken met hoe je een zo goed mogelijke film maakt. Er zijn natuurlijk grenzen aan wat kan, maar dat daar creatief mee om wordt gegaan, dat verwacht ik wel van ze. In een of twee gesprekken heb je vaak wel door of zo’n producent bij je past. Het moet natuurlijk ook op persoonlijk vlak klikken. Je moet van dezelfde films houden, je moet dezelfde soort film willen maken en dezelfde ambitie hebben. En vertrouwen over en weer is super belangrijk. Ik vind de producent zo ongeveer het belangrijkst van alle mensen met wie ik samenwerk.

Ik heb twee min of meer vaste producenten, dat zijn Basalt Film en Doxy (voorheen Keydocs). Het zijn twee heel verschillende producenten, maar dat is ook fijn, want dan weet je welk project het beste bij welke producent past. De Wand heb ik met Willemijn van Cerutti Film gemaakt. Dat is dus een beetje een uitstapje voor mij omdat ik normaal geen jeugddocumentaires maak; dit was de eerste keer. Ik hoorde dat Willemijn met deze reeks bezig was. Toen heb ik me aangeboden om er ook een te doen. Ze vroeg: heb je een plan dan? Ik zei: ja, volgens mij wel.’

Je geeft les aan de St. Joost in Breda. Wat valt je op aan de studenten van nu?

‘Ze zijn veel met zichzelf bezig, ook in hun films. Dat is een bredere trend, dat is niet alleen bij ons op de academie; op de Filmacademie gebeurt dat ook. Enerzijds is het een trend die gewoon gaande is, zeker binnen documentaire. Anderzijds heeft het te maken met dat studenten wat jonger zijn dan tien, vijftien jaar geleden. Wat ik niet per se goed vind. Soms komen ze rechtstreeks van de havo. Zeventien is wel heel jong om aan de kunstacademie te beginnen. Je hebt toch levenservaring nodig om wat verder te kijken dan je eigen beslommeringen.

Een andere trend die ik zie en die ook breder is dan alleen bij ons op de academie, is de vermenging van fictie en documentaire. Dat vind ik interessant. Sommigen houden nog heel ouderwets vast aan die strikte scheiding. Er is wel – en daar sturen we heel bewust op aan – een maatschappelijk bewustzijn; ook als je een persoonlijk verhaal vertelt. We vinden het belangrijk dat studenten bezig zijn met de vraag wat een film zegt over de wereld waarin ze leven. Het is het beleid van de opleiding om daar heel veel mee bezig te zijn en dat werpt zijn vruchten af. En wat niet altijd lukt, maar wat ik wel belangrijk vind, is dat studenten risico’s proberen te nemen. Zowel tijdens de opleiding als daarna.’

Aan wat voor soort kennis hebben ze behoefte?

‘Filmkennis, want dat hebben ze heel weinig. Dat willen ze wel hebben, hoor. Maar dat moet je ze wel echt aanbieden, want daar weten ze over het algemeen moeilijk hun eigen weg in te vinden. Op de academie voeren we regelmatig discussies over hoe dat zogenoemde referentiekader eruit moet zien, naar welke films we dan verwijzen en welke optioneel zijn en welke verplicht. Je kunt ze daarmee enorm in een richting sturen. Dat is tricky; je moet wel goed weten wat je doet.’

En welke films moeten ze gezien hebben van jou?

‘Ja, dat is dus punt van discussie en dat zal het ook altijd wel blijven.’

Noem er eens drie.

‘Nee, dat ga ik niet doen. Ik ga er niet drie noemen, want dat is veel te weinig. Die referentielijst is veel en veel langer dan dat.

Ik vind dat als je nu in Nederland documentairemaker bent en je hebt nog nooit Enjoy Poverty gezien, dat kan gewoon niet. Ik weet niet waar je dan mee bezig bent. Ik noem maar even een voorbeeld. Of The Act of Killing, kan ik ook noemen. Uit de losse pols noem ik nu twee dingen die bij mij naar boven komen. Dat zijn films, die moeten ze gezien hebben. En natuurlijk moeten ze iets van Lars von Trier gezien hebben. Ja, logisch. De referentielijst zal continu veranderen. Een harde kern zal blijven, een aantal klassiekers wil je er ook op hebben staan. Je wil dat ze een film van de Maysles brothers gezien hebben. Grey Gardens waarschijnlijk dan, maar het zou ook Salesman kunnen zijn. Het zijn niet specifiek films die voor mij persoonlijk belangrijk waren, maar ik vind wel dat ik die als filmmaker gezien moet hebben. En Ed Atkins die vorige jaar zijn expositie in Het Stedelijk had. Dat vind ik wel zo’n belangrijk iemand; dat is een nieuwe ontwikkeling die je wel in je opleiding moet verwerken, vind ik.’

Je bent lid van de DDG. Doe je daar iets mee?

‘Eigenlijk heel weinig. Ik weet dat de DDG een pleitbezorger is van mijn belangen en ik weet dat er mensen echt actief zijn, dat krijg ik wel mee want ik ken persoonlijk mensen die dat doen. Wel denk ik dat het goed is als de DDG wat duidelijker communiceert over wat er bereikt is. Daarnaast zou een fusie met de VEVAM een heel goede stap zijn. Wat betreft budget, maar ook wat betreft bundeling van kennis. Ik ben heel blij dat daar actief over nagedacht wordt.’

De Wand  is zondag 9 juli te zien om 19.25 op NPO 3.

Author: Sander Houwen

Share This Post On

Commentaar, vraag, of antwoord? Draag bij!