I.M. George Sluizer: Een serieuze leermeester

© Jorgen Krielen / Amsterdam, 25-09-2010 / George SluizerEEN SERIEUZE LEERMEESTER 

‘Wat ga je doen in je stagejaar?’ vroeg George Sluizer. ‘Ik ga bij jou werken’ zei ik spontaan. Het was een korte sollicitatie. Mijn hele stagejaar van de Filmacademie bracht ik door bij Sluizer Films. Het tekent de spirit van deze veertiger in de kracht van zijn filmleven dat hij mij op m’n twintigste de vertaling van een documentaire, het assistentschap bij een speelfilm, de montage van een trailer en van een nieuwe documentaire toevertrouwde. Ik nam voor hem een 16mm-kopie in mijn rugzak mee naar Cannes (om gedoe met de douane te omzeilen?) en werd op mijn beurt door George binnengeloodst bij competitiefilms en recepties, en voorgesteld aan Werner Herzog. Het werd mijn wonderyear als hongerige filmstudent en filmliefhebber.

Begin jaren zeventig was Sluizer wel een bekende naam, ook voor ons filmstudenten, maar toch vooral een grote onbekende. Hij was de vliegende Hollander, de man die in Brazilië een speelfilm (plus een serie documentaires) gemaakt had die hier flopte. Waarna filmend Nederland via een advertentie protesteerde en de film nogmaals een roulement kreeg. Hij had een reputatie als internationale documentairemaker, en natuurlijk had hij ooit al de Staatsprijs voor de Filmkunst gewonnen met zijn debuutfilm. Docent Pieter Verhoeff haalde voor zijn tweedejaarsles eens in de paar weken een actieve filmer naar de academie. Ik zat in het eerste jaar, maar dat donderde niet, alle jaargangen wilden de werkende filmers zien, uithoren, meemaken. En ineens stond de grote afwezige op een avond in de projectiezaal aan de Overtoom, om zijn Siberië-film te presenteren. De zaal zat propvol. George vertelde, glimlachend en met de nonchalance van de man van ervaring, hoe hij gedraaid had bij 50 graden onder nul, wat hij deed als de camera vastliep, de recorder bevroor, en meer van dat werk – we hingen aan zijn lippen. Toen ik achterom keek zag ik tot mijn verbazing Koolhaas (Anton, de schrijver en directeur van de filmacademie, vader vàn) aandachtig zitten luisteren. Koolhaas kwam nooit! Hij schijnt George de volgende morgen gebeld te hebben om hem een baan als docent aan te bieden.

Zo kwam het dat mijn klas, inmiddels tweedejaars, als eerste les kreeg van Sluizer. Niet in documentaire, maar in drama. Voor hemzelf was dat geen verrassing: hij kwam immers van de beroemde Parijse filmschool IDHEC, was er klasgenoot van Louis Malle en leerling van Renoir, hij wilde altijd al speelfilms maken. Hij gaf ons een stukje uit Bergmans Grote Stilte als regieoefening. Hij trof ons – ik praat hier vast voor een flinke groep klasgenoten, en zeker voor mijn kompanen Leo en Goert – niet alleen als een serieuze en volstrekt toegewijde filmmaker, maar ook als een bondgenoot. Het ging hem namelijk om de auteurscinema. Er was weinig commercieels aan George Sluizer en al even weinig had hij op met de toen net wegebbende golf van Nederlandse speelfilms die hun succes ontleenden aan seks. (Op de première van de nieuwste Pim & Wim vraagt Pim hem: ‘en, vind je het weer niks wat we gemaakt hebben?’ George: ‘Ja, ik vind het weer niks.’) George hield van film als persoonlijke uitdrukkingsvorm, zonder concessies, als kunst eigenlijk – precies waarom wij naar de academie waren gekomen. Terug uit Cannes berichtte hij over de nieuwe Malle of Makavejev, wij zogen het op. Dat wil niet zeggen dat onze smaken parallel liepen: bij hem stond Visconti’s Dood in Venetië bovenaan, ik hield meer van Woody Allen en Truffaut en het viel me tegen dat hij Badlands alleen goed vond voor ‘hele naïeve mensen’. Maar wat gaf het: Hier was een werkende filmer die deze films belangrijk vond, die praatte over Antonioni, die een serieuze filmauteur wilde zijn. Ooit bracht ik hem in contact met producent Hans Klap, die De Geisha van Theo Kars wilde filmen: erotisch drama over een man in een driehoek met twee Indische zussen. Mogelijk ook een sterk drama. ‘En, ga je het doen?’ vroeg ik na hun afspraak. George schudde proevend zijn hoofd: ‘ik wilde eerst eens kijken hoe serieus hij is’. Het is er nooit van gekomen.

George werd achtereenvolgens coach van mijn eerste halfuurs academiefilm, werkgever in mijn stagejaar, en coach bij mijn eindexamenfilm. Behalve toewijding en precisie leerde hij me om rijtjes te vermijden – bij het schrijven, bij de montage. Iets in drie stappen vertellen? Of in twee? Nee, doe het in één keer, maak er één sterke scène van, krachtig, poef. Na de academie vroeg hij me het scenario te schrijven van Twee Vrouwen (of Twice a Woman) en regie-assistentie te doen. Ik wilde graag nog verder leren, in de klassieke rol van gezel bij een leermeester. Pas bij die film werd het ook moeilijk. Een internationale productie met beroemde buitenlandse acteurs (Bibi Andersson, Anthony Perkins), een sterk, dramatisch verhaal van Mulisch als basis en een goed script (al zeg ik het zelf). Maar geplaagd door problemen. De co-producent trok zich op het laatste moment terug. George en zijn vrouw Anne Lordon, zijn trouwe steun en toeverlaat, stonden er alleen voor als producent. Alleen moest hij ook nog regisseren. En de beoogde Franse cameraman haakte af, waarna het met de Nederlandse vervanger niet goed klikte. Oh jongens. Ook dat is leerzaam. Om naast het werk zelf (eventjes in zomers St.Tropez 60 figuranten voor de volgende dag organiseren omdat de productie het is vergeten) te zien hoe zwaar een film op één man kan drukken, hoe moeizaam een scheuring in de crew kan uitpakken, hoe gewenste shots gewoon niet gedraaid worden. Pijnlijk was het ook, zeker. Aan elke leerling-leraar verhouding komt een einde, na zoveel films was dat gewoon tijd, geen wonder dat het hier gebeurde: George die mij onterechte verwijten maakte, ik die diep beledigd was, jaja. Einde samenwerking, einde leerlingschap.

Deze film, die zijn speelfilmdoorbraak had moeten worden, werd dat niet. Des te mooier dat tien moeilijke jaren later die doorbraak met Spoorloos alsnog kwam. Daarna heb ik me over George Sluizers carrière geen zorgen meer gemaakt. En gezien hoe zijn oeuvre groeide en serieus bleef, met duidelijk sombere ondertonen. Dat was zijn stijl, in de speelfilms overigens meer dan in de documentaires. Toch keek ik jaren later met grote verbazing naar een docu óver Sluizer, Filmen over grenzen. George kwam er, kennelijk met eigen instemming, uit tevoorschijn als een zwartgallige, monkelende mensenminachter bij wie de moordneigingen soms op de loer lagen. Echt waar? Had ik jarenlang vlakbij deze gevaarlijke somberman fluitend mijn filmwerk gedaan? Was ik echt zo naïef geweest? Welnee! Zo was het niet, toen. Misschien was midden jaren zeventig gewoon een goede tijd voor de Hollander die even niet zoveel vloog. Of was dat filmportret toch wel erg gechargeerd. Want een mooie, opwindende en vrolijke tijd was het, destijds, en serieus was het ook. Waarvoor dank, George.

Jurriën Rood

Foto: Jørgen Krielen

Author: Jurriën Rood

Share This Post On

Commentaar, vraag, of antwoord? Draag bij!