editie 2011/2

Producenten over regisseurs

Van belang is dat je kunt blijven maken

21-10-2011 - De vierde aflevering van een serie waarin producenten over hun vak spreken en hun overpeinzingen over regisseurs prijsgeven. Een interview met producent Rolf Orthel.

Orthel produceerde een 70-tal documentaires en een dozijn speelfilms. Hij bekleedde o.a. (bestuurs)-functies in de Raad van de Kunst, het Productiefonds en het Filmfonds. Hij is voorzitter van het scriptwriting programme Sources2. Vorig jaar ontving hij de Gouden Kalf voor de Cultuurprijs 2010. Dit jaar besteedde het Nederlands Filmfestival extra aandacht aan Orthel. Zijn film Sani – Dancing between two worlds ging daar in première.
Door: Peter Dop

Je bent je carrière bij Bert Haanstra begonnen. Is dat van invloed geweest?

Wat je leert, heeft maar heel weinig met filmen zelf te maken. Omdat je niet kunt leren filmen van een ander. Je moet je eigen taal ontdekken. Iemand kan niet tegen jou zeggen: ‘je kunt het wel zo doen of zo’, want dan is het niet van jou. Wat je om je heen ziet moet je absorberen en je moet er je eigen manier van film maken uit destilleren. Bert verzamelde materiaal over thema’s en minithema’s. Zo monteerde hij een optelling van elementen en steeds even net iets anders. Variatie, maar tegelijkertijd ook steeds het zelfde. Zodat het iets levendigs heeft en je je tempo er mee kunt maken in de montage. Het is leuk om naar te kijken en het kan geestig werken. Dat is iets, dat je technisch gesproken, van zo’n man kan leren. En wat je verder leert is een houding in filmland. Een houding t.o.v. je werk. Dat gaat over volhouden, doorzetten en respect voor andere mensen. Ik geef een voorbeeld dat direct met produceren te maken heeft. Als we ophielden aan het einde van de dag, gingen we altijd naar de huiskamer. Dan kwam de jenever op tafel met leverworst of haring. Dan zaten we daar met zijn drieën te praten, Bert, Anton van Munster (de cameraman) en ik. En soms Ed Pelster, de geluidsman. En dan praatten we over alles betreffende de productie. Op gelijk niveau. Dat was niet de chef met drie onderdanen. Iedereen kon alles spuien wat hem in het hoofd kwam. Over technische en inhoudelijke dingen. Die discussies vond ik fantastisch. Die gelijkheid is volgens mij de basis van alles. Als je niet die gelijkheid weet te bereiken, ben je slecht bezig. Wanneer het van belang is, zit je bij elkaar als collega’s. En niet op een manier van ‘ik weet het beter dan jij, want ik heb meer ervaring of ik ben producent’.

Jij ging draaien met Anton van Munster. Haanstra, de regisseur, bleef thuis?

Er waren wel dingen waarvoor hij absoluut meeging. Maar er waren andere dingen, die we maar zelf moesten uitzoeken. Daar was hij heel genereus in. Voor het gedrag van mensen voor Bij de Beesten af gingen Anton en ik naar Parijs. Want in Parijs gebeurde er meer op straat dan in Nederland. Zeker toen was het iets meer outgoing daar. We hadden een werklijstje mee gekregen. Eenmaal terug, kwam er zo’n dikke vette rol 35mm rushes uit het lab. Bert had het gezien en flikkerde de totale rol in één klap in de prullenbak. En i.p.v. dat we op ons lazer kregen, zei hij: ‘als je nu de volgende keer gaat, moet je toch meer daar en daar aan denken en daar en daar op letten. Probeer dat nou eens zo’. We gingen dan weer naar Parijs en kwamen met goed materiaal thuis.

Schijn van twijfel / Westerbork

Een ander ding dat ik heel bijzonder vond van Bert heeft met stimuleren, vriendschap en belangstelling te maken. Ik was in die tijd getrouwd met Mea Flothuis en zij is van enigszins joodse afkomst. Een aantal familieleden zijn verdwenen en vermoord in de oorlog. In 1965 las ik in de krant dat Westerbork zou worden afgebroken. Ik had een soort primaire urge van ‘dat mag niet’. Niet meer dan dat. Dus wilde ik een film maken over Westerbork. Ik zei dat tegen Bert en hij gaf me 10 rollen zwart-wit negatief en zei ‘ga je gang’. Ik kreeg ook Anton van Munster en de camera-assistent een dag mee. Toen had ik het beginmateriaal voor wat later die film is geworden.

Je bent filmmaker en daarnaast ben je gaan produceren. Uit economische noodzaak of waren er inhoudelijke redenen?
Ik ben niet een filmmaker die de volgende dag een film klaar heeft liggen. Ik heb nooit gehad van ‘dan zou ik dit willen maken en dan dat willen maken’. Er vallen gaten. Ik interesseer me voor heel veel verschillende dingen. Dus is het voor mij prima om hand- en spandiensten te verlenen aan andermans filmproject. Of je dat produceren wilt noemen is iets anders. Je werkt er aan mee, zodat er een interessante film tot stand komt. Omdat je samen met iemand anders een soort common ground vindt. Een basis om samen te werken om iets van de grond te krijgen.

Bert heeft daar ook een rol ingespeeld. Hij kreeg een opdracht van het Rode Kruis. Die wilde hij niet zelf maken en hij heeft mij de film cadeau gegeven. ‘Hier is 150.000 gulden en ga je gang maar’. Later was er een film die er voor de Gasunie moest komen. Die heeft Kees Hin gemaakt. En dat moest ik maar eens gaan produceren, vond Bert. Zo ben ik er in gerold en ben daar mee door gegaan. Er zijn producties, waar ik bijna niets aan gedaan heb. En andere waar ik misschien één of twee belangrijke dingen voor gedaan heb en verder wat regelen, op het geld passen en wat besprekingen. En dan nog andere films waar ik van voor tot achteren heel veel energie in heb gepompt.

Ook al produceer ik, toch ben ik ook een maker en dat komt in mindere of meerdere mate naar voren. Daarin verschil ik nogal van een aantal van mijn collega’s, denk ik. Ik kan me inhoudelijk ergens mee bemoeien maar ik probeer dat te doen op een manier, dat de ander wel vrij is. Het gaat er om dat hij of zij die film kan maken en niet dat ik mijn ideeën erover doordruk. Dat is totaal oninteressant. Je moet iemand helpen binnen zijn of haar eigen denkpatronen en emoties. Hoe kan je iemand zo stimuleren dat iemand zijn eigen film zo goed mogelijk maakt? Dat is de hele crux van het produceren.

Het lijkt er op dat je niet voor de geijkte, voor de hand liggende projecten kiest.

Het boek - Kees Hin
  Dat interesseert me totaal niet. Dat moet ik ook niet proberen, dat is niets voor mij. De quitensence is, dat je moet werken aan projecten waar je verbinding mee hebt. En die verbinding moet intellectueel en emotioneel zijn. Anders kan ik niets bijdragen. Rationeel films maken vind ik flauwekul. Dat moeten mensen, die dat doen, vooral blijven doen, maar dat is niks voor mij. Ik voel me dan ook niet verbonden met welke mainstream dan ook. Ik ben ook nooit lid geworden van een of andere producentenclub.

Belle van Zuylen - Digna Sinke

Ik heb de indruk dat producenten zich veel te belangrijk achten t.o.v. regisseurs. Ik bedoel daarmee dat ze dan gaan roepen dat ze allerlei rechten moeten hebben. En dat ze aan de regisseur van de eventuele opbrengsten echt veel te weinig wensen af te dragen. Een producent doet vaak heel veel voor een film. Maar de personages die het uiteindelijk doen zijn de regie, de acteurs, de camera en de editor. Niet de producent. De producent faciliteert, stimuleert hopelijk. Maar daarna is het toch voor 85% of meer het werk van de crew en de regisseur. En dat komt, gezien wat er tegenwoordig met de contracten aan de hand is, niet genoeg tot uiting. Een aantal producenten is wel erg bezig met alsmaar die rechten te claimen. Als je van die grote bedrijven hebt waar enkele tientallen mensen rondlopen, die allemaal in vaste dienst zijn, moet er veel geschoven worden. Dat begrijp ik ook wel. Maar dat heeft niets te maken met het soort gefilm waar wij ons mee bezig hebben gehouden. Dat is toch veel individueler. En de televisie claimt tegenwoordig dat ze auteur zijn van documentaires. Daar wind ik me over op. Absoluut ridicuul. Waar ze het vandaan halen.




reageren op artikel | 0 reactie(s):






artikelen van deze auteur



Je moet inloggen om te kunnen reageren