Amerikanen pakken projecten altijd groots aan. Syriana (Stephen Gaghan, 2005) was één van de eerste blockbusters die zich als duurzaam project presenteerde. Daarna volgden andere als An Inconvenient Truth (Al Goore, 2006) en No Country for Old Men (de gebroeders Coen, 2007). In 2003 werd er met The Matrix Reloaded (de Wachowski-broers) al een eerste stap gezet door het setmateriaal grotendeels te recyclen.
Nederland loopt achter en daarom is de Green Film Making Competition opgezet. Het is een wedstrijd waarin zes filmmakers worden uitgedaagd een zo duurzaam mogelijke, korte fictiefilm te maken. “In Nederland is de meest gehoorde reactie op groen filmen: ‘Heel interessant en zeker belangrijk om je mee bezig te houden, maar daar heb ik geen tijd voor,’” vertelt Chai Locher, adviseur bij de Green Film Making Competition. “Juist voor die mensen is dit een interessant initiatief, want je hebt een stok achter de deur en een alibi om je ermee bezig te houden. Het punt is dat weinig mensen een eigen visie hebben op dit onderwerp. Veel producenten en regisseurs gaan door zoals ze het geleerd hebben of het al jaren doen en dat doorbreken is een enorme opgave. Dat kun je ook niet van iedereen verwachten. Maar al lukt het ons om slechts een paar mensen te inspireren, dan is dat al winst.”

Deze competitie is een manier om te onderzoeken wat er in Nederland haalbaar is qua duurzaam en milieubewust werken, aangezien het budget voor films hier een stuk lager ligt dan in bijvoorbeeld Amerika. Locher: “Je kunt denken aan elektrische auto’s, minder papier gebruiken, ledlicht; dat is niet geschikt voor alle situaties, maar als het kan is dat mooi. Als je met ledlicht werkt, gebruik je ongeveer de stroom van een strijkijzer in plaats van de normale hoeveelheden. Het is grotendeels nog onontdekt terrein en heeft action research nodig. Ik ben benieuwd naar hoe je de planning zou kunnen veranderen. Stel dat je bijvoorbeeld besluit dat er geen runnerauto is. Dan gaat de kledingdame veel bewuster nadenken of ze wel alles heeft. Want als ze iets vergeet, heeft ze echt een groot probleem.”
En als je doordenkt over locaties dan zijn er innovatieve oplossingen voor plekken zonder stroom. “Gemeente Amsterdam is bezig oplaadpunten neer te zetten voor elektrische auto’s en ook voor evenementen worden gaten in de grond geplaatst waar je stroom vandaan kunt halen. Een gaffer moet natuurlijk bekijken wat het voltage is en of je dat kunt gebruiken voor filmlampen, maar stel dat dat kan en je bent tijdens het draaien in de buurt van zo’n punt, dan hoef je geen generator aan te sluiten. Zo werk je extra efficiënt, milieubewuster en bespaar je kosten.”
In Amerika, Groot-Brittanië en Nieuw Zeeland is green filmmaking al vrij groot en binnen Europa krijgt het ook steeds meer aanhang. Locher: “Het Vlaams Audivisueel Fonds doet een serieuze zet en in Duitsland zijn ze ook al een heel eind. Daar is de politiek erg gericht op duurzaamheid, dus daar leeft het. In Nieuw-Zeeland is er een draaiboek uitgegeven waarin staat hoe je duurzaam te werk kunt gaan. De man die dat opzette geeft alleen aan dat het lastig is om producenten te vinden die het ook altijd willen toepassen. In de Verenigde Staten zijn ze er een groot voorstander van. De grote studio’s hebben ook bijna allemaal een duurzame vestiging. Warner heeft er één die helemaal draait op solar-energie.”
Maar zitten hier geen haken en ogen aan? Als je shots van een opstijgend vliegtuig laat zien, is dit per definitie al slecht voor het milieu. Hetzelfde geldt voor schieten op celluloid. Je kunt niet van filmmakers eisen, dat ze hier vanaf zien. Locher: “Als het niet anders kan, dan kan het niet anders. Er is altijd een spanning tussen de productie en de regie. Daar zie ik geen extra belemmeringen in. Je wisselt het ene sturende principe voor het andere. Een producent denkt – heel clichématig – in zo kort mogelijke tijd moet er zoveel mogelijk screentijd gegenereerd worden. Maar je kunt ook denken: we zorgen dat we in een zo kort mogelijke tijd zo min mogelijk fouten maken. Op die manier werk je ook milieubewust. In een draaiboek over green filmmaking stond dat je de hoofdpersonen het beste hun afval kunt laten scheiden. Maar dat is niet waar ik naar op zoek ben.” De bedoeling is dus dat je bij films niet eens merkt dat er milieubewust en duurzaam te werk is gegaan.
Je zou kunnen zeggen dat de Nederlandse filmcultuur het met de huidige bezuinigingen al moeilijk genoeg heeft. Er is hier vaak simpelweg geen geld voor vernieuwingen als het isoleren van gebouwen en het kopen van bidons in plaats van plastic waterflesjes. Warner Brothers heeft weliswaar al miljoenen bespaard door duurzaam te produceren, maar zij hebben hierin kunnen investeren. Toch is het voor Nederland misschien wel juist het ideale moment om productieprocessen onder de loep te nemen; filmmakers worden doordat er minder geld vanuit de overheid beschikbaar wordt gesteld immers sowieso gedwongen om hun projecten zuiniger te benaderen of hun budget op nieuwe manieren binnen te halen. Locher: “Je kunt ook besparen door duurzaam te werken. En dan gaat het niet om de gigantische kostenbesparing van Hollywood, maar meer zoals bij Nederlandse midden- en kleinbedrijven. Vaak zit het hem namelijk in common knowledge, zoals spaarlampen en minder printen. Nu moet men er nog naar te handelen.”











