editie 2011/1

De eenzame éénpitter in de nieuwe wereld van internationale coproducties

Mijn ouders kan ik zelf wel bellen

11-04-2011 - Een goede producent is van belang voor de kwaliteit van documentaires. Er zijn steeds meer documentaireregisseurs die zelf gaan produceren. Twee zinnen die in combinatie met elkaar veel vragen oproepen. Een onderwerp dat leeft en gevoelig ligt. 10 Februari j.l. organiseerden het Mediafonds, het Filmfonds, de Documentaire Producenten Nederland (DPN) en de DDG een discussie tussen producenten, documentaireregisseurs en omroepmedewerkers. Moderator was Mieke Beernink. Een verslag.
Door: Peter Dop

Steeds meer éénpitters doen aanvragen bij de sectie documentaire van het Mediafonds. Er is veel discussie geweest of het wel zo handig is dat die verhouding regisseur-producent door elkaar loopt. De conclusie was dat je daar moeilijk regels voor kan vaststellen. Volgens het Mediafonds heeft het hele scala recht van bestaan. Van de regisseur, die zelf de camera doet of geluid en de hele organisatie op zich neemt. Tot en met de films met een heel productieteam met een producent en een artistiek producent met aan het einde van de rit een regisseur. Hans Maarten van den Brink (Mediafonds): “We hebben ook gemerkt dat er her en der anders over gedacht wordt. Daar moeten we het over hebben. Over één ding is iedereen het eens: produceren is een vak. De vraag van vanmiddag is: ‘wie kan het vak uitoefenen en onder welke omstandigheden en wat komt er nog meer bij kijken?’. Wat is bijv. de internationale dimensie? Hoe zit het t.o.v. de financiering’? Want je moet wat kunnen om te produceren. Ons doel als fonds, zo ook het filmfonds, is om te luisteren en informatie op te doen”.

Jos de Putter, Ditteke Mensink, Suzanne van Voorst en Niek Koppen geven ieder een kort statement.

Een succes omdat ik van geen toeten of blazen wist

Jos de Putter (maker, eindredacteur Tegenlicht): “Ik ben eigenlijk altijd al producent geweest. Mijn eerste film Het is een schone dag geweest maakte ik zonder enige praktische kennis. Ik had geen idee wat produceren was. Ik weet nog dat ik tegen de IKON zei in 1992: “Ik kan mijn ouders zelf wel bellen dat ik er aan kom”. Ik wist van filmmaken ook niets. Dat had nadelen, maar de film is uiteindelijk aardig uit de verf gekomen. Misschien is dat wel zo gekomen omdat het van iemand was, die van geen toeten of blazen wist op alle fronten. Ik ben eigenlijk niet gehinderd. Ik mocht een oude Steenbecktafel lenen van de IKON. Die heb ik driehoog opgetakeld op de Schinkelkade, waar ik woonde en daar stond hij letterlijk naast mijn bed. En zo’n soort film was het natuurlijk ook. Latere films werden voor hogere budgetten gemaakt en het werd heel ingewikkeld. En toen zei het Mediafonds en het Filmfonds terecht:  ‘je moet een producent hebben’. Zo ben ik producent af geworden. Ik ervaar altijd dat er grofweg twee types documentaires zijn. Eén die heel goed geresearched wordt. Die wordt dus ook voorgeproduceerd en daar hoort een heel apparaat bij. Aan de andere kant van het spectrum zit (en daar zit de kracht van de Hollandse School) de film van: ‘je bent ergens; je hebt een concept en dan moet er de hele tijd tegen de rand van het concept geduwd kunnen worden’. Je zou kunnen zeggen dat daar het auteurschap van de maker ligt. Dat zeg ik zonder waardeoordeel; ze staan naast elkaar. De één voelt zich meer thuis in het ene; de ander in het andere. Voor het tweede model, moet je als maker in staat zijn om alle beslissingen te nemen, heb ik ervaren. Dan is er nog het dilemma. Dat is het budget. Als alles opgeteld is, volgt er de streep en daaronder staan de beroemde 8 en 10%. Veel makers zien die 8 en 10% als niet overeenkomstig met de energie die erin is gestoken. Veel makers hebben daar grote moeite mee. Tegelijkertijd is het zo dat als je jezelf producent wilt noemen en serieus je vak wilt uitoefenen, dan zijn die 10 en 8% misschien wel te weinig. Je kan met 8 en 10% als alles goed gaat, je zaak draaiende houden. Maart het is heel moeilijk om risico’s te nemen.

Ditteke Mensink (maakster, DDG) somt alle clichés van vooroordelen van regisseurs over producenten en vice versa op. Er is vaak sprake van wantouwen. Ze pleit er voor, dat voordat er gewerkt gaat worden, er samen een ontwerp voor een uitgebreid en nauwkeurig productietraject wordt opgesteld. Op dat maakproces en productieproces in elkaar grijpen. Er zou een gedetailleerde checklist moeten komen, met alleen maar praktische punten gericht op het maken van de film, waarlangs het productietraject ontworpen zou moeten worden. Op basis van zo’n productietraject kan dan een productiecontract geschreven worden, waarin een en ander schriftelijk wordt vastgelegd.

Suzanne Van Voorst (producent IDTV Docs en DPN) vindt dat documentaireregisseurs hun eigen, toch al moeilijke vak onderschatten. Ze ziet twee taken voor de producent: 1. Dat waar regisseurs meestal niet zo goed in zijn. Van de bonnetjes, kleine lettertjes, budgetbewaking, rechten, contracten tot de 1001 details waar een productie uit bestaat. En 2: De producent als partner van de regisseur. Samen trekken ze de hele productie op. Haar taak is kritische distantie én onvoorwaardelijk vertrouwen leveren. Ze ziet zichzelf als advocaat van de duivel. Ze bewaakt de essentie en zorgt er voor dat de regisseur de tijd krijgt de essentie vast te houden. Ze is ook de bemiddelaar tussen regisseur en financiers; ze zorgt er voor dat een optimale crew de regisseur ondersteunt; ze onderhandelt met de distributeur en ze zorgt er voor dat de film ook nog ergens anders ondergebracht kan worden dan op de Nederlandse tv. Van Voorst: “Met een goede producent kan de regisseur zich wijden aan zijn eigen vak. Met de steun van de producent worden die films beter”.

Weinig langdurige succesvolle samenwerking

Niek Koppen (maker, producent, hoofd documentaire Filmfonds) onderschrijft dat laatste. Succesvolle duo’s zijn meer dan de som der delen. Samenwerking werpt zijn vruchten af als er een aantal films op rij samen worden gemaakt. Het produceren van een éénpitter ziet hij niet als een probleem, maar het is volgens hem onmogelijk je eigen films de nazorg te geven die ze verdienen. “Als medefinancier hechten overheid en fonds er veel waarde aan dat de catalogus ook goed wordt beheerd en geëxploiteerd. Zeker in een tijd dat de cultuur aangevallen wordt en ter discussie staat, moeten we niet vergeten dat er met publiek geld is gefinancierd en dat onze films te zien moeten zijn”. Koppen zal meerdere malen zijn verbazing uitspreken dat er in de Nederlandse documentairesamenleving weinig sprake is van langdurige, succesvolle samenwerking. “Ik betreur dat. Ik heb de indruk dat de verwachting die men van elkaar heeft vooraf te weinig wordt besproken en in veel gevallen niet overeenstemmen”.




reageren op artikel | 0 reactie(s):






artikelen van deze auteur



Je moet inloggen om te kunnen reageren