Het is een oud en bekend feit. De Nederlandse film verkoopt zichzelf slecht. Iedereen denkt dat kassuccessen als Alles is liefde en Komt een vrouw bij de dokter gigantische cashflows voor de producenten genereren. Dat is onzin.

De NVS heeft een boekje uitgegeven, waaruit onomstotelijk blijkt, dat er altijd een vorm van steun, dus subsidie nodig is. Het aardige aan film is, dat je aan het begin wat geld geeft en dat het zich daarna volledig zelf bedruipt. De producent draagt verder het risico en moet zelf maar zorgen dat zijn bedrijf overeind blijft. Hij brengt de film naar de distributeur, die ook zijn eigen broek moet ophouden. En die brengt vervolgens dan weer de film naar het filmhuis of in de vorm van een dvd naar Albert Heijn. Die twee zorgen (en de laatste zelfs uitstekend) ook voor zichzelf. Er is onderzocht dat het beetje subsidie, dat je er in het begin in hebt gestopt, een economische impact heeft van ongeveer zes keer dat bedrag. Als je dus 50 miljoen bezuinigt op film kost dat de staat 6 maal 50 miljoen gedeeld door 2 (n.l. 50% belastingafrek) aan potentiële belasinginkomsten. En dat is dan nog zonder al de diverse indirecte economische activiteiten, die film genereert. Dát is de speciale positie die film heeft. Hoe anders is het bij andere kunstsectoren. Producent Klaas de Jong schetste in november vorig jaar tijdens een NBF/DDG themamiddag over alternatieve financieringsvormen het volgende verschil tussen film en klassieke muziek: “Een orkest begint met een exploitatie die verlies maakt. Daar moet geld bij. Dan wordt het tijd voor een voorstelling. In de schouwburg zitten 30 man. De productiekosten zijn al heel hoog en het optreden wordt dan weer gesubsidieerd door de provincie of de gemeente. Staan ze uiteindelijk in de schouwburg, waar zelf ook weer subsidie in moet. Een dominosteen naar beneden. Hoe meer geld je er in stopt; hoe meer het gaat kosten. Bij film is dat andersom. Hoe meer je er in stopt, hoe meer het oplevert aan het einde. Alleen kunnen producenten het alleen niet zelf financieren en kunnen ze het ook niet terugverdienen door de exploitatie.”
Film is één van de goedkoopste industrieën
De grote cultuurfondsen proberen samen op te trekken. De rijksoverheid gaat 200 miljoen euro per jaar op kunst en cultuur bezuinigen. De lobby tussen de filmsector en Den Haag is van oudsher zwak geweest. De filmsector probeert nu de lobby gaande te houden en er op te wijzen dat film één van de goedkoopste industrieën is, die het subsidiegeld terugverdient. Alle kunstsectoren worden getroffen, alleen de filmproducties dubbel. Er gaat gesneden worden aan de omroepkant én aan de Filmfondskant. Althans dat laatste dreigt. Verschil met de andere kunsten is dat er heel veel mensen werkzaam zijn in de film. Heel veel postproductiebedrijven hebben het door de Belgische Tax Shelter al heel moeilijk en zullen het alleen maar moeilijker gaan krijgen.
Als je alle gerealiseerde speelfilms bij elkaar optelt wordt 32% van de begroting door het Fonds gedekt. De rest wordt dus door distributeurs, omroepen en andere marktpartijen ingebracht. Al met al dus een behoorlijk gezonde industrie. Met dien verstande dat als je die 32% weghaalt, de andere geldstromen ook wegvallen. Dat is een soort politiek besef, waar met name het Filmfonds de laatste maanden aan heeft geprobeerd te werken. Of dat enig resultaat heeft gehad? We zullen er binnenkort achterkomen, maar er is weinig reden tot optimisme. Er wordt door de nieuwe ‘politiek’ erg gehamerd op het zgn. ondernemerschap in de kunsten. Punt is dat de filmsector al lang heel ondernemend bezig is en soms al voor veel te lage honoraria en veel te lage tarieven van de postproductiebedrijven, die veelal onder hun kostprijzen zijn gaan werken. Dat was al, los van de komende bezuinigingen, een situatie die de sector niet veel langer zou kunnen trekken. Voor een gezond klimaat zou dus de (de inmiddels waarschijnlijk politiek niet reële) eis van behoud van geld én nieuwe economische maatregelen gesteld moeten worden. Maatregelen die de sector de middelen geeft om verder te ondernemen. Analoog aan de Belgische Tax Shelter. Maatregelen die efficiënt zijn en die er voor zorgen dat de kosten die met film samenhangen zo laag mogelijk zijn. Als die kritische grens aan subsidie overschreden wordt, zijn niet alleen de artistieke films de sigaar, maar worden ook producties als Komt een vrouw bij de dokter onmogelijk. Daar zou het alleen niet bij moeten blijven, als het gaat om een pleidooi voor een Nederlandse Tax Shelter. Een belangrijk extra economisch motief voor een Tax Shelter is dat het buitenlandse producenten naar Nederland trekt. En dus inkomsten. Zoals er op dit moment veel Amerikaanse producties in Duitsland gemaakt worden.
Eigenlijk zou er jaarlijks een goed overzicht moeten komen van hoeveel geld er omgaat en hoeveel mensen er in onze industrie werken. Hoeveel mensen verdienen hun brood aan de productie van films en in de postproductie? Zeker in dit huidige politieke klimaat, waarin cultuur niet hoog in het vaandel staat en vooral de vraag gesteld wordt ‘wat kost het ons, wat heeft de Nederlandse bevolking er aan?’, moet je met die economische argumenten gaan komen.
1 Euro investering genereert 6 euro omzet
Het Filmfonds lanceerde onlangs een filmpje met cijfers.
Een greep uit de cijfers: De Nederlandse film trok in 2010 4,4 miljoen bioscoopbezoekers, ruim 1 miljoen festivalbezoekers; 9,4 miljoen dvd- en blue ray-kijkers en 27 miljoen tv-kijkers. En: 1 euro investering van het Filmfonds genereert 6 euro omzet uit productievolume, verhuur, verkoop en bioscooprecette. Dit jaar worden meer dan 52 Nederlandse films in de bioscoop vertoond; 631 Internationale filmfestivals selecteerden Nederlandse films. In 1994 had de Nederlandse film een marktaandeel van 0,8 %. Vandaag is dat bijna 16%.
Dan de omroepen. 200 Miljoen zal er uiteindelijk bezuinigd gaan worden. Maar het is duidelijk: we hebben al één van de goedkoopste publieke omroepen van Europa. Net boven Albanië en onder Bulgarije. We zijn verre van de duurste. De publieke omroep kost ons per gezin 92 euro per jaar. In Duitsland is dat 210 euro, in Engeland 174 euro, in Denemarken 296 euro, in Zwitserland 310 euro. Te zien op dit filmpje:
De gemiddelde Nederlander kijkt aanzienlijk meer naar de publieke omroep dan de gemiddelde Europeaan. Als je naar de cultuurbegroting kijkt en je vergelijkt het met Duitsland en Frankrijk, geven wij aan film veel minder geld uit. In Duitsland worden publieke omroepen geacht hele forse bedragen te investeren. Bij ons is dit toch minimaal. De BBC heeft 4,5 miljard. Wij hebben nu nog 800 miljoen. Dat is dus al vijf keer zo laag.
Als je 200 miljoen wilt gaan bezuinigen, zal er voor maximaal 80 à 100 miljoen bezuinigd kunnen worden op de organisatie. De resterende 100 à 120 miljoen gaat dan ten koste van producties. De ultieme consequentie is niet dat je opeens een heel goedkope, betere publieke omroep hebt. De consequentie is dat er minder gemaakt gaat worden. En dat de budgetten van de overblijvende producties omlaag gaan. De reflex zal zijn dat de omroepen zelf meer gaan maken. Daar zitten redacties en vaste medewerkers in loondienst, die hun producties moeten draaien. Dus gaan de omroepen niet meer naar een buitenproducent. En zo komt het dan nog harder aan bij de filmmakers.
15 kilometer snelweg
We zitten in een klimaat van bezuinigingen. Het idee in Den Haag is dat films alleen maar met subsidie gemaakt worden en dat het dus wel een tandje minder kan. Er heerst niet het besef dat er inderdaad 2/3e door anderen ingebracht wordt of dat makers zelf investeringen doen. Er is in Den Haag geen klimaat voor discussie over wat voor effecten die bezuinigingen kunnen hebben. Het blijft de taak van de kunstensector om de ‘politiek’ daarop te wijzen. We besteden ongeveer 2 euro per Nederlander per jaar aan het Filmfonds. Dat geeft maar weer aan dat we met weinig heel veel doen. Van dat bedrag kun je slechts 15 kilometer snelweg aanleggen, waar je binnenkort met een beetje mazzel met 130 km per uur overheen kunt rossen.














