Mart: Ik werd gevraagd of ik in navolging van de commerciële intendanten de eerste artistieke intendant wilde worden. Ik heb het dus niet zelf verzonnen. Er was toen helemaal niets. Ik heb het pad wel moeten plaveien. Het begon er mee dat de aanstelling van de commerciële intendanten een succes bleek. Het was een formule, die bleek te werken. De commerciële film had door die intendanten nogal in de spotlights gestaan. Het werd tijd, zei Toine Berbers, dat de artistieke film daar weer gelijke tred mee kreeg. Dus was het ook een manier om het denken over welke route de artistieke film moet gaan volgen nieuw leven in te blazen. Mooi gezegd, hè?

Peter: Jij moest het pad plaveien?
Mart: Ja, niet alleen, maar dat was wel de opdracht die ik kreeg, om daar over na te denken en dat gestalte te geven. Toen hebben we die tekst met die foto van Bresson opgesteld met een soort werving en een oproep. Ik wist toen nog niet wat ik over mezelf afriep. Zo is het begonnen. ‘Ten to watch’ (Tien door Mart aangewezen filmmakers krijgen geld om een nieuw project te bedenken en te ontwikkelen, P.D.) deed ik anderhalf jaar later. Ik was de enige intendant die er langer heeft gezeten dan twee jaar. Misschien wel een jaar of vier.
Wanneer gaat de deur een keer open?
Jan: Jij kwam met jouw beginselverklaring. En toen is de brievenbus opengegaan en ben je bedolven.
Mart: Ja volgens mij heb ik uiteindelijk iets van 300 projecten gehad. Dat was niet zo erg. Het erge was, dat ik aan 100 projecten, dus een derde, geld heb gegeven. Dat is eigenlijk de nachtmerrie. Ik deed dat omdat ik een ander principe had. Dat was het principe van ‘laat maar zoveel mogelijk gebeuren en uitzetten. We zien wel wat dat oplevert’. Ik deed dat omdat ik met niets begon. Je merkte gewoon dat er veel projecten stonden te duwen van ‘wanneer gaat de deur een keer open’. Dus toen die deur openging, kwam die stroom meteen binnen. Ik denk dat daarmee de druk van de ketel iets af was en dat Wilfried en jij iets minder projecten kregen.
Jan: Maar de vraag is dan of al die projecten stonden te dringen. Konden ze dan niet bij de commissies terecht?
Mart: Ik denk wel dat daar iets stagneerde. Het is niet voor niets dat de samenstelling van de commissie en de drempel om vanuit de commissie bepaalde projecten er door te krijgen anders is geworden. Daar is wel iets gebeurd de laatste 5 à 6 jaar. Minder mainstream en de expertise die ze in huis hebben gehaald en de bereidheid om in bepaalde projecten te stappen, is toegenomen.
Peter: Hebben jullie ook zeggenschap in de samenstelling van de commissie?
Mart: Niet dat ik een grote stem had daarin destijds. Maar ik werd er wel in gehoord. Ik had wel het gevoel dat ik daar iets in kon betekenen. Dat is wat anders dan dat ik het besliste. Begrijp me goed.
Ten to watch
Jan: Toen ik daar zat waren de commissie en de intendant bijna twee verschillende werelden. Ik ben blij dat dat nu helemaal in elkaar overvloeit. Doreen (Boonekamp) en Dorien (Van der Pas) hebben een andere structuur opgezet waardoor de intendant uiteindelijk ook resulteert onder de lange speelfilm. Mart heeft zeg maar de weg bereid met 'Ten to watch’', dat was een heel goed initiatief. Deze 10 mensen krijgen 10.0000, met de opdracht iets te gaan maken. Waarmee je ze vertrouwen geeft.
Mart: Vijf van de tien zijn er gemaakt. Er zijn er een paar afgevallen. Esther Rots heeft het teruggegeven, omdat ze eerst Kan door huid heen wilde maken, daar had ze meer greep op. Later kwam ze terug en zei ze dat ze er geen leven meer in kreeg. Ze was het kwijt. Die is dus afgevallen. Pieter Kramer werd aangesteld bij het Ro-theater en had dus geen tijd. Peter Delpeut loopt nog, die is druk doende het van de grond te krijgen. Michiel van Jaarsveld ging Stellenbosch draaien in Zuid-Afrika. Ober is gemaakt, evenals Het leven uit één dag, Tussenstand, Brownian Movement en Fow Pyng Hu is momenteel Nick aan het draaien. Dat vind ik een behoorlijke score.
Peter: Hoeveel projecten kreeg jij?

Jan: Ik denk zo’n 120 à 130. Het grote verschil was dat mijn opdracht heel nadrukkelijk was. Er dienden 5 of 6 films gerealiseerd te worden. Mijn budget was een fractie van wat Mart had. Voor twee jaar 300.000 euro. Dat betekent, anders dan bij Mart, dat ik niet tegen 100 projecten kon zeggen: ‘Hier heb je wat geld en ontwikkel het maar’.
Mart: Mijn budget was veel hoger in het begin. Op een gegeven moment werd het drastisch teruggebracht. Ik heb er gewoon van geprofiteerd dat ik de eerste was. Dat betekent dat ik meer geld en meer vrijheid had. Dat ze tegen Jan zeiden dat het minder moest, had er mee te maken dat ze mij eigenlijk te veel ruimte gegeven hadden. Of dat ik te veel ruimte genomen heb. In ieder geval denk ik wel dat dat zijn weerslag heeft gehad.
Jan: Ik vond het niet zo erg. Want het betekent dat je tegen 100 van die 120 projecten per definitie ‘nee’ moet zeggen. Dus je wordt al heel snel gedwongen om keuzes te maken. Soms pakt dat verkeerd uit en soms goed. Er zijn ook wel projecten waar ik nee tegen gezegd heb en die nu een nieuw leven leiden en met wie het heel goed gaat in dat nieuwe leven. In een aantal gevallen niet. Ik had en heb nog steeds helemaal niets met die commissies te maken. Er zijn nog steeds projecten die op het punt staan geld te krijgen. Als ik ja zeg, krijgen ze gewoon het geld. Ze hoeven dus niet naar de commissie. Mart begeleidde het project financieel tot en met de ontwikkeling en daarna ging hij mee naar de commissie. Maar dan was hij afhankelijk van wat de commissieleden van het kant-en-klare product vonden.














