Er waren natuurlijk de individuele docenten, die inspireerden. Maar veel organisatie en structuur was er niet.
Voor de meesten van ons groeide de hartstocht voor film tijdens de jaren op de academie. Niet in de laatste plaats door de intensieve contacten met je medeleerlingen. Het vak leerde je vooral daarna, in de praktijk. Voor de collega’s in het beroepsveld (merendeels ex-filmacademiestudenten) is dat kennelijk nog steeds het beeld dat ze hebben van de filmacademie.
Die gedachte drong zich tenminste op toen ik de oproep zag die onze beroepsorganisatie (DDG) plaatste voor Regieact V. Een mooi initiatief, maar met een bijzonder vreemde motivatie. In die eerste oproep van 7 juli stond namelijk: “ in de praktijk (is het) moeilijk voor regisseurs om uit voldoende ervaring te kunnen putten. Op de Filmacademie blijft spelregie vaak beperkt tot een aantal elementaire lessen.”
Het is toch vreemd, dat de eigen beroepsgroep kennelijk geen idee heeft wat voor lessen de regiestudenten tegenwoordig krijgen op de filmacademie (de enige in Nederland). Spelregie is de laatste jaren namelijk een van de belangrijkste lesonderdelen van het regiecurriculum. Zelfs zo essentieel dat ook de documentaire studenten er de eerste twee jaar volop les in krijgen. Er is een vaste spelregie docente (Feli Berenbroek) voor de eerste twee jaar. Verscheidene gastdocenten, afkomstig uit de theater- en filmwereld, geven les in het tweede en derde jaar. Bovendien hebben we interessante samenwerkingstrajecten (workshops) met de toneelscholen in Maastricht, Arnhem en Amsterdam. Begeleid door docenten van beide disciplines.
Dat we zoveel aan spelregie doen, komt deels voort uit een oude frustratie van mijzelf. In mijn studietijd (eind jaren ’70) werd er bar weinig aan spelregie gedaan. Jezelf bijscholen na de academie was bittere noodzaak.
Toen ik 10 jaar geleden studieleider regie werd aan de Academie was mijn eerste actie: op basis van de ervaringen opgedaan in de praktijk een lijst maken van wat ikzelf allemaal had gemist op school. Door veel gesprekken met oud-regiestudenten is die winst en verlies tabel verder aangevuld.
Er waren wel verschillen, maar bovenaan het lijstje van bijna iedereen stond: spelregie! Iedereen was van mening dat er veel te weinig spellessen waren. Laat staan dat we de kans kregen regelmatig met acteurs te werken.
Het is misschien een wat simpel uitgangspunt voor het bouwen van een curriculum maar bruikbaar en bevredigend naast alle competentieschema’s die er toen inmiddels ook al waren.
Sinds die inventarisatie besteden we, om kort te gaan, heel veel aandacht aan spelregie. En dat gaat veel verder dan “een aantal elementaire lessen.”
Het is misschien wel begrijpelijk dat het beroepsveld een eigen beeld van de filmacademie heeft, gebaseerd op ervaringen uit de eigen studietijd. Dat blijkt ook wel, want dikwijls krijg ik verzoeken van filmmakers met een oprecht missiegevoel, die graag eens zouden willen lesgeven. “Er zou eens wat meer gedaan moeten worden aan….” krijg ik dan te horen. De school is veranderd moet ik dan vertellen, en allang niet meer te vergelijken met de opleiding waar de meeste DDG leden mee te maken hebben gehad.
Het duurt blijkbaar een lange tijd voordat een imago is bijgesteld en misschien communiceert de Academie wel te weinig met het beroepsveld. Of andersom. Bijstellen van het beeld heeft tijd nodig, maar een beetje (van elkaars werk) op de hoogte blijven kan geen kwaad. Misschien zou het helpen als de Academie bijscholingen aan zou bieden voor alumni. Dat gebeurt op zoveel opleidingen. Mij lijkt dat nuttig en inspirerend zowel voor de filmacademie als voor de deelnemers.
Jelle van Doornik is Studieleider regie fictie en documentaire op de Filmacademie te Amsterdam














