editie 2010/3

Martijn Maria Smits over 'C’est deja l’été'

De noodzaak van een naar gevoel

10-09-2010 - Wanneer Martijn Maria Smits en ik elkaar ontmoeten om even over zijn film C’est deja l’été te praten, gaat het gesprek al gauw over andere films en filmmakers. Over hoe zijn films vergeleken worden met die van anderen: de gebroeders Dardenne, met name. En hoe hij zelf bij het ontwikkelen van filmplannen refereert aan andere films.
Door: Martijn Winkler

‘Meestal documentaires, overigens. Ik merk dat het in Nederland vreemd wordt gevonden, dat je bij filmplannen expliciet refereert aan scènes uit andere films. Alsof dat niet gepast is. Terwijl ik juist denk dat het vaak verhelderend werkt. Voor een plan dat ik nu aan het uitwerken ben, verwijs ik bijvoorbeeld naar de vissers-sequentie uit Four Elements van Jiska Rickels. Hoe de boot daar heen en weer deint, dat vond ik passend voor een scène in een bus die ik bedacht had. Misschien is het wel onverstandig, hoor, om zo te refereren aan andere films. Al is het maar omdat het belemmerend kan werken voor je creativiteit. Een idee voor een film in je kop hebben, om dan vervolgens te zien dat iemand anders er al een film van gemaakt heeft. Als je daar te zeer aan hecht, maak je op den duur helemaal geen film meer.’

De constante vergelijking met de gebroeders Dardenne lijkt hem niet te deren. ‘Ik heb mijn eigen aanpak, ik maak sterk persoonlijke films. Toch, bij het maken van C’est deja l’été raakten we maar niet los van de Dardennes. Veel locaties waar we wilden draaien, bleken al eens eerder door hen te zijn gebruikt. Ik heb die meestal kunnen vermijden, maar voor sommige scènes konden we niet anders. Het waren dan ook zulke prachtige locaties. Overigens vind ik eerder dat mijn films beïnvloed zijn door die van Bruno Dumont. Het onverbiddelijke en primaire van zijn werk vind ik geweldig. Alles terug herleiden tot eten, seks, slapen, pissen, schijten. Zijn invloed is op sommige momenten in mijn film zelfs letterlijk zichtbaar. Een abrupte overgang tussen een scène waar personages aan het eten zijn, en een scène waar ze seks hebben. Dat abrupte, het ontbreken van scènes waar veranderingen uitgelegd of verklaard worden, is ook iets dat ik uit mijn documentaire achtergrond haal. In een documentaire loop je vaak achter de feiten aan. Dan kom je erachter dat er iets belangrijks gebeurt is, en pak je snel de camera om de uitwerking ervan op je personage te filmen. Dat levert sprongen en hiaten op, die de kijker zelf moet invullen.’

Het is me opgevallen dat de locatie zo’n belangrijke rol speelt in zijn films. Bijna de hoofdrol eigenlijk. Hij knikt als ik hem dat voorleg.

‘Dat klopt wel, ja. Een idee begint eigenlijk ook met de locatie. Ik dompel me er dan echt onder, woon er een hele tijd, en schrijf er het script. Als dat klaar is, heb ik meteen ook alle draailocaties, en de acteurs. Niet-professionele acteurs, mensen die daar daadwerkelijk wonen en leven. Dat scheelt een hoop gedoe met locatiescouts en castings! Het moet altijd in het buitenland. Ik ben geïnteresseerd in plekken met een geschiedenis. Een terugverlangen naar vroeger; plekken zoals een staalfabriek, nu kaal en verlaten, maar waar het vroeger nog stroomde. Waar personages leven die proberen vast te houden aan het verleden. In Nederland vind je dat niet. Hier is alles zo nieuw, zo af.’

Hij denkt terug aan het maakproces van C’est deja l’été. Best lang geleden alweer. Na het draaien van die film, maakte hij de One Night Stand Anvers, die een Gouden Kalf won in Utrecht vorig jaar. Veel lessen die hij heeft geleerd bij zijn eerste speelfilm, heeft hij kunnen toepassen op Anvers. Vreemd genoeg, is C’est deja l’été nu pas uitgebracht, na Anvers dus.

‘Ik was een heel ander persoon bij het maken van C’est deja l’été, dan ik nu ben. Het was een zware periode in mijn leven, ik had problemen, ik was dakloos. Ik overwoog toen heel serieus om die film niet te maken. Die zwaarmoedigheid zie je aan de film af, denk ik. Maar goed, van Anvers zegt men ook dat het een nare film is. Dat je er een naar gevoel aan overhoudt. Dat is een lastig punt. Zelf kijk ik heel graag naar lichtvoetige, simpele films. Waar je weinig moeite voor hoeft te doen. Ik lees ook liever de Donald Duck in bad, dan Bukowski. Maar Bukowski geeft me wel veel meer waarde. Je moet er meer moeite voor doen, maar het levert ook iets op. Als mensen naar de film zijn geweest, een leuke Coen Brothers of zo, drinken ze na afloop een glas bier en klaar. Ze drinken de film ermee weg. Een lastige film, waar je een naar gevoel aan over houdt, drink je niet zomaar weg. Die blijft aan je knagen. Je blijft ermee bezig.’

Het lijkt de paradox van kunst en cultuur. Het moet afstoten om aan te trekken.




reageren op artikel | 0 reactie(s):


interviewcultuurMartijn Maria Smits



gerelateerde artikelen


artikelen van deze auteur



Je moet inloggen om te kunnen reageren