Schurken en straatrovers
Het standaardcontract bleek een ‘idee fixe’. Praktisch onhaalbaar want elke productie is anders en elke verhouding regisseur/producent is anders. Maar de stroom van conflicten bleef aanhouden. Sporadische bemiddelingen van derden (het Filmfonds) leidden tot niets, want geen partij staat boven de verhouding producent/regisseur. De DDG stelde vorig jaar een (druk bezocht) wekelijks juridisch spreekuur in. Af en toe waren geluiden te horen over het opstellen van een zwartboek (of misschien iets realistischer: een witboek) van producenten. Om de rotte appels van de goede te scheiden. Eén van de laatste ledenavonden in 2009 hoorde een volle zaal huiverend het verhaal van regisseuse Rita Horst aan. Een producent die het recht van de final cut opeist en een regisseur die haar film niet als de hare herkent en haar credit vlak voor de eindstreep terugtrekt.
Het zat al een tijdje in de lucht, maar afgelopen 8 maart was het dan zover. NVS en DDG organiseerden gezamenlijk een gesprek van producenten en regisseurs over hoe het nu precies zit als het gaat over samenwerking. Het panel achter de tafel bestond uit de producenten Hanneke Niens (KeyFilm) en San Fu Maltha, tevens NVS-voorzitter en de regisseurs Ineke Smits en Ben Sombogaart. Alle vier bleken in het verleden al met elkaar (tot volle tevredenheid) te hebben samengewerkt. Zodat daar vandaan, volgens moderator Ryclef Rienstra, niet het grootste vuurwerk te verwachten viel. Dat zou volgens hem uit de zaal moeten komen. En dat viel niet mee. Het deed de moderator halverwege de avond verzuchten: “Ik moet weerstand bieden aan de verleiding om te zeggen: ‘dit was een leerzame avond, een interessante masterclass en we gaan nu een borreltje drinken. Waarom ik dat niet doe, is omdat ik verrast ben dat we hier zo redelijk eenstemmig achter de tafel zitten. En ik lees en hoor toch bij de DDG en de LIRA geluiden als: ‘producenten zijn schurken, straatrovers.’ Ik vind het allemaal reuze gezellig. Waar komt dat geluid dan vandaan? Zijn die mensen er niet”? Producent Hanneke Niens valt hem bij: “Als ik de Gazet of de Plot lees, denk ik gotsiemijne, wat een vijandigheid richting producenten”.
Vetorecht
Een regisseur in de zaal opent die avond de discussie. Een door hem geïnitieerd en geschreven plan leidt tot een televisieserie. De omroep heeft het vetorecht opgeëist en de producent heeft het in de onderhandeling weggeven. Dit zonder overleg met de regisseur. De producent vraagt begrip van de regisseur, omdat de realisering op het spel staat. Producent en regisseur worden a.h.w. gegijzeld en tegen elkaar uitgespeeld. Volgens de regisseur is het nog geen probleem, maar zou hij er last van kunnen krijgen. “Je merkt dat de omroepen een steeds grotere greep proberen te krijgen”. Hoewel bedoeld als een voorbeeld van een geval waarbij de producent eigenmachtig optreedt wordt de discussie die dan volgt de voorbode van de rest van de avond: Regisseurs en producenten blijken eensgezind in hun wens tot samenwerken en i.p.v. elkaar in de haren te vliegen wordt er een andere boeman aangewezen. Een boeman, die niet in de zaal zit: de omroep.
Volgens San Fu Maltha is het nog niet een vaak voorkomend probleem met de omroepen, maar het is misschien iets dat begint: “Zij zeggen dat zij als omroep de taak van profilering hebben. Ze hebben dus de taak om het af te stemmen op de publieke omroep. Ze worden niet zozeer afgerekend op het feit of het wel kijkcijfers haalt (hoewel steeds meer), maar op het feit of het wel past bij de omroep. Dat is dus hun reden om het vetorecht te vragen. Op zich is zo’n vetorecht niet zo’n heel groot probleem, zolang je het als maker zelf ook hebt”.
De smaak van Hilversum draait in de bioscoop
Regisseur Casper Verbrugge: “Naar het verhaal over die televisieserie te oordelen, gaat het nog veel verder dan wat San Fu zegt. En de publieke omroep heeft toch echt een andere taak. Dat is wat anders dan een derde partij, een co-producent of een distributeur, die er privaat geld in stopt. Van de publieke omroep mag je andere dingen verwachten. Ze hebben een andere taak. Die is wellicht ondergesneeuwd, maar ze staan voor iets anders”.
Ryclef Rienstra zou Verbrugge graag gelijk geven. Maar in de geschiedenis zoals hij die kent, is er in de discussie of de omroep een taak heeft in relatie tot de Nederlandse film, nog nooit iemand in Den Haag geweest die heeft gezegd: ‘Hier heb je nu een punt.’ Afgezien van het feit dat ze wel gezegd hebben dat er een paar fondsen en een paar goede samenwerkingsovereenkomsten moeten komen, heeft politiek Den Haag zich hier nooit druk om gemaakt. “Je kan het wel als argument gebruiken, maar dan zullen de omroepen onmiddellijk de bal weerkaatsen met ‘jongens, we moeten kijkcijfers en doelgroepen bereiken. Daarvoor worden we gefinancierd. We moeten ons profileren, want dat profileringsidee is weer enorm opgekomen. Dat is onze taak en daarvoor worden we gefinancierd. En als jouw speelfilm daar niet in past, hebben wij geen enkele morele verplichting om jouw plan te steunen, omdat jij deel bent van het cultureel erfgoed”. Dat is volgens Rienstra een oeverloze discussie waarvan hij adviseert om er niet aan te beginnen. Verspilde energie. Het enige wat je kan doen, is proberen afspraken te maken op welke condities je die speelfilms dan wel maakt. Je levert je uit aan omroepen, die dan vervolgens voor X euro een enorm pakket aan rechten opeisen.
De discussie zal die avond nog vele malen in de richting gaan van de onredelijk toenemende macht van de omroepen. Ben Sombogaart: “Ze geven heel weinig geld over een heel budget. En als zij niet meegaan heb je een giga-probleem. Ze hebben een positie waarin zij de producent en de regisseur enorm kunnen chanteren. Doodeng”. Niens: “Een raamovereenkomst lost niets op. De smaak van Hilversum draait in de bioscoop”.
Co-producties en distributeurs
Sombogaart vertelt over de gang van zaken rondom ‘De Storm’. De Engelse distributeur was bij alle fases van de film betrokken. Rushes werden opgestuurd naar Londen, montageversies idem. Zelfs al in de scenariofase kreeg hij tot zijn grote verbazing te maken met scriptanalyses en suggesties van de distributeur. Het liep goed af omdat de distributeur verstand van zaken had en hart voor het verhaal. En omdat de producent een goede rol daarin speelde. Ineke Smits: “Het heeft niet alleen met coproductie te maken. Het komt ook voor bij distributeurs die met een flinke MG in je project zitten en die daardoor allerlei zeggenschap hebben. Bijv. over hoe je film gemonteerd wordt”.
Maltha stelt dat zo gauw je te maken krijgt met mensen, die niet zo zeer publiek geld uitgeven, maar geld waarmee zij zelf het risico lopen het kwijt kunnen raken, je steeds meer met dit soort zaken van zeggenschap te maken krijgt. “Alleen zou ik nooit tegen een regisseur zeggen: jij moet met deze persoon werken. Andersom ook niet. Ik vind dat je een relatie moet hebben; dat je met elkaar met argumenten omgaat. Je werkt met elkaar binnen de bandbreedte die door een derde wordt aangegeven en daarbinnen probeer je samen de beste weg te kiezen.”
Producent Mark van Warmerdam brengt daar tegen in dat in beide gevallen (de regisseur van de televisieserie en Ben Sombogaart) de producent de regisseur niet heeft gezegd waar het op staat. Beiden werden verrast met voorwaarden die niet bekend waren, terwijl ze al aan het werk waren. Het had helemaal fout kunnen aflopen.
Bestuurslid van de DDG Ike Bertels vertelt dat er bij de DDG regelmatig klachten binnenkomen over producenten. Vaak worden die problemen dan vertaald in uitdrukkingen als ‘ja, ik heb geen inzage in het budget. Of in het format’. Het komt er op neer dat je als regisseur niet een goed beeld krijgt waar je aan begint.
Het potje van Alex
Niens: “Het is niet eens dat ik vraag of de regisseur het budget wil zien. De regisseur móet het budget inzien. Ik loop altijd met de regisseur van voor naar achter door het budget. Ik stuur het ook niet op, want dan bestaat het risico dat het verkeerd gelezen wordt. Ik wil dat ze het lezen om te voorkomen dat er gedacht wordt dat er iets achter de hand gehouden wordt. Nee, wat er is laat ik je zien. Een regisseur kan niet meedenken als hij niet weet wat het kost”.
Van Warmerdam: “Er is in Nederland niemand die gelooft wat Hanneke nu zegt. Dit is het budget en we hebben echt niet meer. Dan denkt heel Nederland: ‘ze zullen echt wel meer hebben’. Want die producent, als hij zijn werk goed doet, heeft altijd iets achter de hand. Want er gebeurt altijd wel iets waar niemand op gerekend had. Er is gewoon wantrouwen en af en toe wordt dat bevestigd. Door regisseurs die opeens de meest gekke dingen bedenken, waar ze het nooit over gehad hebben. Aan de andere kant zijn het producenten die met verassingen komen. Dat is gewoon aan de hand en het enige wat je er aan kunt doen is het maken van heldere afspraken. En samenwerken. En in heel veel gevallen wordt er niet samengewerkt. Alleen wil niemand dat zeggen”.
Smits valt hem bij. Bij maar weinig producenten had ze het idee dat ze samen een film aan het maken was. Een heel eenzaam gevoel: “Als je op de set staat en het regent. En het wordt maar geen goed weer en er is een soort van oorverdovende stilte aan de andere kant.”
Van Warmerdam: “Dat is heel gemakkelijk op te lossen. We hebben al twee films geleden ingesteld dat de regisseur een eigen potje heeft. Het regisseurspotje. Enkele tienduizenden euro’s afhankelijk van het budget. Daar beslist Alex over. Ik heb nog nooit een regisseur zo zuinig met zijn potje om zien gaan. Hij kan iedere draaidag die uitloopt bedenken: ‘ik heb nog een draaidag in mijn achterzak’. Maar hij is heel zuinig want hij heeft maar een of twee draaidagen. Dat werkt echt. En aan het einde van de rit heeft hij geld over in zijn potje”.
Ik heb zelden zo’n discussie in de Nederlandse film meegemaakt
Bertels brengt als case een recent schrijnend probleem bij een nieuwe Nederlandse film naar voren. De final-cut. Ze wil weten hoe de aanwezige producenten tegenover de final-cut staan. Volgens Niens kan de final-cut alleen maar bij de producent liggen, want die moet verantwoording afleggen. De beide producenten achter de tafel stellen, dat ze het echter liever niet tot een final-cut-situatie laten komen. Ook met dit onderwerp laat de zaal zich niet echt verleiden tot vuurwerk. Het brengt Rienstra op een gegeven moment weer tot een overpeinzing: “Iedereen is het zo ontzettend eens met elkaar, vanavond. Ik heb zelden zo’n discussie in de Nederlandse film meegemaakt. Het is een feestje, werkelijk.”
Regisseur Herbert Curiel begint over het feit dat regisseurs niet meedelen in de winst. Het mag niet baten. Hij wordt afgekapt want de avond zit er op.
Rienstra vat de avond samen: Er is veel gesproken over samenwerking. Er zijn wat problemen aangeraakt. Maar toch geen problemen waarover beide partijen elkaar in de haren vliegen is de indruk. “Dat zou misschien buiten kunnen gebeuren”. Het sleutelwoord is communicatie en vertrouwen; er is soms onbegrip, maar er is ook de wens tot transparantie. In de verhoudingen over o.a. de begroting en zakelijke afspraken. Regisseurs moeten zich committeren aan begrotingen; producenten moeten er ook open over zijn. Rienstra: “Een onderwerp dat niet aan de orde is gekomen is of er een keurmerk voor producenten moet komen. Ik wil er niet over beginnen want dan moet er ook een keurmerk komen voor regisseurs en dan zijn we vannacht nog niet klaar. Er zijn ook wensen geuit voor collectieve afspraken bijv. met de omroepen. Dat lijkt me een serieus punt waar werk van te maken is. Standaard- of modelcontracten is ook iets waar verder over gepraat zou moeten worden. Fijn dat niet iedereen heeft zitten knikkebollen”.















