Chris Westendorp reageerde op het broodfonds
"Klinkt interessant, ja. Ik ben wel geïnteresseerd. Dat kan inderdaad wel beter. "
Martijn Winkler reageerde op het broodfonds
"Wat een fantastisch initiatief! Zijn er meer regisseurs die hier behoefte aan hebben? DDG-broodfonds wellicht?
Wat verzekeraars kunnen,..."
Chai Locher reageerde op nieuwe vormen van online filmmaken
"Mooi artikel, Martijn.
De grootste veranderingen zie ik in de distributie van films. Doordat via internet direct contact met publiek..."
Hidde Simons reageerde op nieuwe vormen van online filmmaken
"Het was moeilijk om het stuk uit te lezen, omdat het kijken naar de bijgeleverde films ook altijd er weer voor zorgt dat ik meer online..."
Martijn Winkler reageerde op zondertitels
"UPDATE: Hitler reageert op de presentatie van de iPad
http://www.youtube.com/watch?v=lQnT0zp8Ya4"
26-12-2009 - Kan door huid heen, Calimucho, Zusje van Katja, Langer licht. Films van heldere talenten, lovende recensies, veel internationale festivals, soms grote festivals, veel prijzen en zeer positieve internationale reacties. En toch drie man en een paardenkop tijdens een screening in een willekeurig filmhuis in Nederland. Het publiek wil er niet aan. De DDG besloot zijn jaarlijkse studiedag te wijden aan dit fenomeen. Omdat tegelijkertijd het Nederlands Film Festival op het zelfde idee kwam en het Dutch Angle label als kwaliteitslabel introduceerde, besloot men de handen ineen te slaan. Tezamen organiseerden de DDG en het NFF onder grote belangstelling een tweedaags symposium tijdens het Nederlands Filmfestival. Dag één onder de mysterieuze titel ‘Artistieke film zoekt verdieping?’, dag twee onder de meer transparante titel ‘Artistieke film zoekt publiek’.
Door: Peter Dop
De eerste dag werd het probleem met filmmakers, producenten, buitenlandse journalisten, festivalprogrammeurs en sales-agents vanuit twee invalshoeken benaderd: de inhoud en identiteit én de relatie met het buitenland.
De tweede dag vanuit de invalshoek: de vertoning en distributie van artistieke films. Dit tezamen met distributeurs, filmhuis- en bioscoopexploitanten, vertegenwoordigers uit de theaterwereld, de boek- en muziekbranche en filmproducenten. Een bont programma met als doel het probleem vanuit zo veel mogelijk invalshoeken te beschouwen.
De artistieke film is huiskamerdrama
Dit jaar draaiden er drie Nederlandse artistieke films in het Forumprogramma van Berlijn. Maar naast de buitenlandse waardering ontbreekt een duidelijk profiel en signatuur. Het lage bioscoopbezoek is extra pijnlijk omdat de Nederlandse jeugd- en publieksfilm het juist zo goed doet. Met het Dutch Angel-programma heeft het NFF getracht het gebrek aan profiel te pareren. Een gewaagde opzet om nu eens niet de uniciteit maar de uniformiteit van de Nederlandse film te benadrukken. Om je af te vragen wat hen bindt i.p.v. wat hen onderscheidt. Het is een manier om naar binnen te kijken en om je naar buiten te presenteren. Dat was de idee achter het symposium. Of het ging lukken was de vraag, maar het is het idee om te kijken wat het kan opleveren.
Aan de hand van stellingen probeert moderator Mart Dominicus, als ‘advocaat van de duivel’, de aanwezigen tot uitspraken te verlokken. Zijn eerste twee stellingen geven meteen al een duidelijk verschil van inzicht tussen de filmmakers en de producenten:
- ‘Nederlandse arthouse filmmakers schuwen spraakmakende onderwerpen’ en
- ‘De artistieke film staat met de rug naar de samenleving’
Dominicus stelt dat het gros van de Nederlandse artistieke film huiskamerdrama is. “Mag het niet wat meer allure hebben? Niet alleen qua onderwerp, maar ook qua wijze van vertellen. Is er sprake van zelfcensuur zodat je grootse, heftige dramatische scènes omzeilt? Of vindt men dat het niet zo in onze cultuur zit om het zo barok neer te zetten? En dat men zegt: laat ons het maar tussen de regels door vinden.”
De aanwezige filmmakers voelen zich duidelijk niet aangesproken. David Lammers: “We zijn geen onderzoeksjournalisten. Het is niet zo dat als er iets in de samenleving gebeurt, wij er dan meteen op moeten duiken. Omdat de implicaties van zo’n gebeurtenis vaak pas later duidelijk worden. Ik denk dat de verhouding tussen twee mensen net zo spraakmakend is, omdat dat net zoveel zegt over de samenleving, waarin wij leven.”
Eugenie Jansen heeft helemaal niet als belangrijkste doel het vertellen van een verhaal. “Het gaat meer om de sfeer. Het gaat er juist om van het verhaal af te filmen. Wij willen helemaal geen grote verhalen vertellen. Het verhaal is toch een beetje een noodzakelijk kwaad om een film te vertellen; om gevoel over te brengen; om mensen te laten nadenken. Een poging om mensen te laten begrijpen hoe de wereld in elkaar zit. De Dutch Angles zijn juist naar buiten gericht. Ze gaan de wereld in en kijken juist naar de samenleving”.
Vertegenwoordigers van de gegoede middenklasse
Stienette Bosklopper is bij uitstek producent van veel van dit soort films. Ze stuit dagelijks op dit probleem met haar makers. “Dat ze met de rug naar de samenleving staan, ervaren de filmmakers natuurlijk zelf helemaal niet zo. Maar ze zijn niet echt op zoek naar de tragedie in de samenleving. Want die ligt vaak bij mensen niet uit hun eigen milieu. De gemiddelde Nederlandse filmmaker is een vertegenwoordiger van de gegoede blanke middenklasse. En die mensen hebben natuurlijk wel allemaal persoonlijke problemen gehad met hun ouders, verloren liefdes, noem maar op. En dat zien we ook allemaal in hun films terug. Het aanbod is dus nogal eenvormig. De Nederlandse literatuur lees ik al twintig jaar niet meer, omdat de meeste boeken over het zelfde gaan. Ik denk altijd: Kom op met die verhalen over wat er nog meer loos is in Nederland”.
Producent en filmmaker Paul Ruven heeft als maker vanaf het begin verschillende genres gebruikt voor zijn films van musical tot comedy (De tranen van Maria Machita, Filmpje, Mafrika). Hij wijt het probleem aan het feit dat er nooit wordt nagedacht over de keuze in welk genre je je verhaal giet. 'In Amerika staat drama als nummer 13 van de genres waar mensen naar toe gaan. Het publiek voor drama is hoog opgeleid en komt uit de steden. Bijna alle genres scoren beter. Als artistieke filmer zou je kunnen nadenken voor welk genre je kiest met jouw verhaal. Maar de Nederlandse artistieke filmers gaan allemaal in drama zitten. Tarantino speelt met thriller en comedy. Hij doet de dingen die hij wil, maar hij doet het in een ander genre. Hij weet dat als hij drama maakt dat hij dan nergens in komt. Met drama ben je het meest veilig. Als je een slechte thriller maakt, dan ben je gezien. In drama heeft de maker de meeste vrijheid om te doen wat hij wil”.
Filmmakers willen vooral met rust gelaten worden
Volgens Bosklopper zijn de Dutch Angle-filmmakers vooral mensen die met rust gelaten willen worden. Ze willen gewoon hun eigen ding doen. “ Genre stelt eisen aan de makers. Die hebben daar geen zin in, want ze willen vrijheid hebben. Wil je meedoen aan dat grotere spel, dan gaat het over een ander soort film. Als je wilt dat de Nederlandse arthouse film internationaal aanspreekt, stuit je op een probleem. We hebben geen cast die internationaal aanspreekt. Niemand kent Claire Denis; de hele wereld weet wel wie Isabelle Hupert is. Dus kunnen wij het alleen maar hebben van extreme excellentie. En je kan toch moeilijk tegen al die Dutch Angle-filmmakers zeggen dat ze nog betere films moeten maken dan ze al doen. Ik probeer dat wel, maar als ik er hard aan trek, wordt iedereen boos op mij. Als ik er over begin tegen makers lopen ze weg.”
Blijft de vraag waarom we geen spraakmakende films maken. Ook bij die vraag blijkt er een wereld van verschil tussen het inzicht van de makers en de producenten. Filmmaker Sander Burger: “Ik denk dat David Lammers’ film over de verhouding tussen een vader en een zoon, die beiden het verlies van de moeder moeten verwerken, het publiek meer aanspreekt dan een film als Bloedbroeders over een moord in de 60-er jaren. En zo zijn de films over de moord op Fortuin en de film over die zaak in de Philipstoren ook geen grote bioscoophits geworden”.
Volgens Bosklopper borrelen de spraakmakende onderwerpen hier niet zo maar automatisch op. “We hebben een verleden waar we zelf geen levende relatie toe hebben. Alle onderwerpen uit het verleden zijn onderwerpen van mijn ouders. Er is geen groot nationaal trauma dat wij met zijn allen bezig zijn te verwerken. En we hebben geen enkele interessante locatie in Nederland waar we kunnen filmen. Dan kunnen we alleen Vermeer- of Pieter de Hoogh-achtige dingen doen, zoals Nanouk Leopold doet. Maar niet iedereen in Nederland heeft daar zin in en gaat daarvoor naar de bioscoop. De Nederlandse artistieke filmmakers maken films waarvoor geen groter publiek is. Je kan er een marketingmachine tegen aangooien en dan komt er een nulletje bij. Dan ga je van drieduizend naar dertigduizend en dan heb je het gehad”.
Toch is er sprake van zelfreflectie bij de makers. Eugenie Jansen: “We waren laatst met alle Dutch Angles bij elkaar en we kwamen eigenlijk verbaasd tot de conclusie dat we wel heel erg calvinistische films maken. Heel strenge, ingehouden films.”
Buitenlandse experts
Het middagprogramma met de buitenlandse journalisten en sales-agents levert weinig verhelderende en bruikbare inzichten op. Of het moet zijn de anekdote van de oudere journalist Jean Roy over Nederlands moeizame verhouding met zijn filmhelden. Niemand die hij sprak had ooit van Ivens en Rademakers gehoord. Of de weinig bemoedigende constatering van sales-agent Jef Nuyts over de discrepantie tussen artistieke waardering en wat interessant is voor sales. “Een lijst met festivals en prijzen zegt niets voor de sales. Een eerste prijs op een festival zegt alleen dat de jury hem goed vindt”. En Chris Pattons enthousiasme over een Australische komedie, waar hij veel vertrouwen in heeft: “Een aardig script van een First time director. Twee jonge aantrekkelijke acteurs en de Engelse taal”.
>>Dag 2: Vertoning en distributie van artistieke films