In samenwerking met het Nederlands Film Festival organiseerde de DDG op 26 september de jaarlijkse studiedag. Deze ging over transmedia: over nieuwe vormen van audiovisueel vertellen. Een revolutie of artistieke luiheid?
Syb Groeneveld (Mediafonds) leidt de dag in. Veel makers in de transmedia wisten veelal niet wat ze precies gingen doen, als ze een project startten. Het was vaak onvoorspelbaar en al producerende, leerde men veel. In die zin is transmediacontent heel flexibel. Het is een nieuw genre volgens Groeneveld met zowel fictie als non-fictie elementen. Een genre dat zijn eigen grammatica en taal voor het storytelling nog moet ontwikkelen.
De menselijke geest handelt vanuit associatie

Zo is het ook met internet. Het heeft een aantal karakteristieken. Het is niet lineair; het is heel ‘participatory’ (de sociale media) en bovenal overweldigend en groeiend. Rose gaat in op de ontwikkeling van het non-lineaire vertellen en de ontwikkeling van de storyworlds en hoe die twee uiteindelijk bij elkaar komen. Waar het vandaan kwam en waarom het nu van toepassing is. Het lijkt een radicale ontwikkeling, maar het is volgens hem bijna onvermijdelijk.
Het non-lineaire vertellen kennen we sinds de literaire avant-garde in de twintigste eeuw door mensen als Joyce en Borges. Zo is de novelle De tuin met zich splitsende paden van Borges een inspiratiebron voor veel nieuwe mediawetenschappers. Het wordt beschouwd als een hypertext novel. De protagonist doet op het ene moment iets en de volgende minuut totaal iets anders, alsof het eerste nooit gebeurd is. Niemand weet wat er aan de gang is, ook de verteller niet. De verteller komt op een gegeven moment thuis bij een beroemde wetenschapper, die hem het boek uitlegt. In de novelle kiest het hoofdpersonage alle alternatieven die zich voordoen. En dat simultaan. Dat betekent dat alle resultaten van al zijn beslissingen zich voordoen. En elk resultaat is dan weer het vertrekpunt voor meer splitsende paden. Het is dus multiverse; er is sprake van een wereld bestaande uit veelvoudige realiteiten. Wat Borges zegt is dat de dingen niet zijn zoals ze schijnen te zijn. Maar hij beschrijft ook het probleem van dit moment: hoe we een verhaal kunnen construeren, waarin we veelvoudige mogelijkheden kunnen kiezen zonder dat we een incoherente jungle construeren.
Rose geeft vervolgens voorbeelden van Borges’ idee in de wetenschap en de informatica. De wetenschapper Vannevar Bush veranderde in 1945 de informatica radicaal vanuit de gedachte dat de menselijke geest handelt vanuit associatie. Ben je met een item bezig, dan kom je meteen op de volgende. Busch voorspelde dat er totaal nieuwe vormen van encyclopedia zouden komen, doorspekt met een woud van associatieve paden. Zoals we die dus nu min of meer kennen.
Ondertussen kregen we in film te maken met regisseurs, die geen probleem hadden met het non-lineaire. Mensen als Resnais en Godard. Zij gebruikten technieken zoals bijv. jumpcuts, timeshifts enz. Alles wat niet behoorde tot de praktijk van Hollywood. Uiterst controversieel in die tijd, ook buiten Hollywood. Bekend is de dialoog tussen de co-founder van de Cinématheque Francaise Franju en Godard:
Franju: “But surely, monsieur Godard, you do at least acknowledge the necessity of having a beginning, middle and an end.
Godard: “Certainly. But not necessarily in that order”.
Franju was beslist geen gewone filmmaker, maar iets conventioneler in het gebruik van technieken dan Godard.











