Er was een moment dat je je eigen films ging produceren.
In 1987 draaiden we Time is Music. Mijn producent had weinig idee over waar ik mee bezig was. Ik had net een interview met Elliott Carter en Conlon Nancarrow in de IJsbreker gedaan en ik had nog 3 rollen in het busje van Frans Bromet, de cameraman, liggen. We zouden naar Middelburg vertrekken, want daar zat Morton Feldman op ons te wachten. En Morton Feldman is één van de hele grote componisten. We liepen vanuit de IJsbreker naar de bus en toen bleek dat de rollen weg waren. We probeerden de producent te bellen, maar die gaf geen sjoege. Later bleek hij ze uit de auto gehaald te hebben. Hij vond het wel welletjes; we hadden wel genoeg materiaal gedraaid, vond hij. Anderhalve maand later stierf Morton Feldman. Toen dacht ik: ‘dit mag mij nooit meer overkomen. Dit is zo erg dat ik echt moet zorgen dat ik het in eigen hand houd’.

Toen ben je zelf gaan produceren?
Iemand van het Filmfonds zei dat Kees Kasander me beter zou begrijpen. We hebben samen Stravinsky The Final Chorale opgezet. All Arts deed speelfilms en daarnaast documentaires. Ik kreeg daar het gevoel dat er een ander soort gevaar dreigde, nl. dat de olifantspoten van de speelfilm de porseleinen kast van de documentaire dreigden in te trappen. Ook qua budget. De enorme budgetten bij de speelfilm en een heel klein budgetje bij de documentaire. En er hoeft maar iets mis te gaan. Ik stelde voor een apart bedrijfje op te richten voor de documentaire onder de holding van All Arts. Daar waren ze het onmiddellijk mee eens. Ik werkte toen samen met Ton van der Lee. Vervolgens ging All Arts failliet. De curator ging er mee akkoord dat wij bleven bestaan. En zo hadden we vanaf datmoment onze eigen productiemaatschappij Allegri Films. Begin jaren 90.
Maar jullie deden ook speelfilm. Memory of the Unknown van Nathalie Alonso Casale, bijv.
Ja. Er dreigde weer het zelfde. Ton wilde een speelfilm produceren met Ian Kerkhof, die tegenwoordig Aryan Kaganof heet: Naar de Klote. Ik was het daar niet mee eens om de zelfde reden als toen bij All Arts . Vanwege die enorm verschillende budgetten. Ton is daarna zelf doorgegaan en ik heb Allegri Films in mijn eentje overgenomen. Tot ongeveer 2005 heeft Allegri Films een stuk of 15 films geproduceerd; buiten de 20 films van me zelf. Dat was dus een flinke productie per jaar. Dat ging heel hard.
Tot 2005.
Ja. Toen kwam er die regel van het Filmfonds dat je als producent niet meer je eigen films mocht regisseren. Dat was in mijn geval nogal problematisch. Want de ruggengraat van Allegri Films waren mijn eigen films. En daarnaast produceerde ik voor anderen.
Wat was het gevolg?
Ik moest toen dus met andere producenten gaan werken. Daarvoor maakte ik 1 à 2 films per jaar. Sinds ik met andere producenten samenwerk is dat 1 film in de 2 à 3 jaar. En waar dat aan ligt? Ik zie produceren als een soort van necessary evil. Dat bedoel ik niet negatief. Ik ben een regisseur; ik produceer om de vrijheid te creëren om in een flow te komen. De flow van mijn eigen ontwikkeling, van mijn carrière, van mijn eigen continuïteit. Door zelf te produceren heb ik die eigen continuïteit ook gewaarborgd, waardoor ik een oeuvre heb kunnen opbouwen. Het produceren voor anderen, vooral jonge filmmakers heb ik altijd erg fijn gevonden. Ik heb meerdere jonge filmmakers hun eerste film laten maken. Dick Tuinder, Brigitte Hillenius, Jacques Laureys, de eerste speelfilm van Nathalie Alonso Casale; noem maar op.








